ARCHIEF / weblog

Verkiezingsborden 2015: een festival van gemiste kansen

Verkiezingsborden zijn een feest van ambachtelijke democratie. En de posters die erop worden geplakt een festival van gemiste kansen. Dat kwam pijnlijk aan het licht in een onderzoekje op basis van tientallen foto’s die me werden toegestuurd nadat ik daar op deze plaats om vroeg.

Foto @DoetMaarWat
Foto @DoetMaarWat

Verkiezingsborden zijn een ouderwets medium. Op veel plaatsen worden ze nog steeds met hamer en spijkers in elkaar getimmerd. Maar ik houd ervan. Ze hebben iets ambachtelijks, ze brengen de democratie tot bijna bij je voordeur. Je ziet de partijplakkers met hun kwast en stijfselemmer nooit, maar elke volgende dag weet je dat er weer een paar op pad zijn geweest in jouw wijk, dorp of stad. Behalve respect voor het politieke handwerk is er nog iets wat mijn belangstelling voor die borden aanwakkert. Ze bieden de partijen een unieke kans om te laten zien dat ze hun wortels in jouw buurt hebben, en dat ze snappen wat daar leeft. De partijen kunnen met die borden de kiezer in zijn eigen habitat benaderen, over een onderwerp dat ook met die eigen habitat te maken heeft. En dat kunnen ze doen tegen lage kosten: die posters moeten toch worden geplakt.

– Foto’s uit alle delen van het land

Maar gebeurt dat ook, vraag ik me bij elke verkiezing weer af. Ik heb al eens eerder geschreven van niet, maar dat was op basis van een indruk. Bij deze provinciale verkiezingen wilde ik mijn waarneming wat beter onderbouwen – vandaar mijn post van 13 maart, die een golf foto’s opleverde uit alle delen van het land.

De conclusie was eigenlijk schokkend. Behalve in Groningen was er zo goed als nergens iets te zien van een provinciale agenda. De meeste plakploegen hoefden zelfs geen idee te hebben in welke provincie ze bezig waren. Ze verspreidden in het hele land dezelfde posters, en dat niet alleen: verschillende te goeder naam en faam bekend staande partijen plakten zelfs posters zonder enige aanwijzing over hun wensen en doelen – landelijk of provinciaal.

– De Lijst van Ledigheid

Zo kunnen we met gemak een Lijst van Ledigheid samenstellen, die dan wordt aangevoerd door Groen Links. Als enige grotere partij zette die behalve naam en lijstnummer  helemaal niets op haar verkiezingsborden. Goede tweede is D’66, dat bijna niets op zijn posters zette en eenvoudig haar drie jaar oude ‘Nu vooruit’ recyclede. De SP maakte het al iets politieker met zijn eveneens landelijke leus ‘Reken af! 100% sociaal’. Ook de PVV kwam door het hele land met dezelfde boodschap, ‘Genoeg is genoeg’.

Vaagheid is troef en provinciale betrokkenheid ontbreekt geheel. Een partij als de PVV valt dat, als one-issue partij zonder leden, misschien niet aan te rekenen. Maar van de SP, die zich er altijd op laat voorstaan geworteld te zijn in de buurten, zou je beter mogen verwachten. Groen Links mag trouwens, met heel wat oud-CPN-ers in de gelederen, ook geacht worden een boodschap te hebben aan zijn grass roots. En D’66 is zijn eigen roots compleet vergeten: ooit met zijn districtenstelsel de kampioen van de ‘binding tussen kiezer en gekozene’, nu zich met inhoudsloze eenheidspap onderscheidend in onverschillige verkiezingscommunicatie. Een paar kleinere partijen voegen zich trouwens moeiteloos in deze kopgroep van ontbrekend onderscheid. Wat dacht u van 50 Plus met het landelijke ‘Stem 50 Plus’, en van de Partij voor de Dieren met ‘Hou vast aan je idealen’?

– Kiezer met lege handen

Maar welaan, er zijn ook partijen waar het provinciale partijkader tenminste iets in de melk te brokkelen lijkt te hebben gehad. PvdA-ers mochten bijvoorbeeld de naam van de provincie aan een van de partijleuzen toevoegen: Zuid-Holland sterker en socialer, Werken aan Utrecht, Meer banen in Brabant. Niet bepaald speerpunten uit een provinciaal programma, maar tenminste een signaal.

Ook de VVD, het CDA en de Christenunie maakten ruimte voor provinciale creativiteit, die zich vervolgens nauwelijks manifesteerde zodat de kiezer toch nog met lege handen achterbleef. Bij de VVD deden varianten opgeld als ‘houdt koers’, ‘koersvast’ en ‘Bouwen aan… [provincie]’. Bij de Christenunie kon achter de leus ‘Geef geloof een stem in…’ de provincie worden ingevuld, en bij het CDA deden allerlei varianten de ronde waaronder ook met provincienamen, maar zonder één enkele uiting over een provinciale kwestie: ‘We doen het samen’, ‘Goed voor Overijssel’, ‘Hart voor Drente’.

– Onversneden provinciaal

Opvallend is dat ook de plaatselijke en provinciale partijen het meestal niet nodig vonden, de kiezer een lokaal of regionaal standpunt mee te geven. De Verenigde Lokale Partijen van Zuid-Holland bijvoorbeeld: geen boodschap. De Drentse partij Sterk Lokaal: geen boodschap. Seniorenbelang Noord: geen leus. Ouderenpartij Noord-Holland: geen leus. Partij voor het Noorden, Nederland Lokaal: idem. En ja, wat te zeggen van Lokaal Overijssel met ‘Samen aan de slag’? Verkiezingsleus of tegelspreuk?

Alleen, ik zei het al, echt alléén in Groningen, waar de regionale emoties tegen Den Haag hoog oplopen, viel een aantal onversneden provinciaal gerichte leuzen op te tekenen: ‘Redt het Noorden’ (Lijst 13), ‘Wij laten ons niet langer uitkleden door Den Haag’ (Grunnegers Veur Stad en Ommeland), ‘Groningen verdient het’ (Groninger Belang) en ‘Groningers doen het nu zelf’ (Groningen Centraal). Nog steeds geen salvo van concrete programmapunten, maar het is tenminste iets.

– Kans met vlag en wimpel gemist

Vrijwel alle partijen hebben dus met vlag en wimpel de kans gemist om op die borden iets te laten zien van hun regionale beworteling. Maar ze waren ook uit alle macht bezig om van deze provinciale-statenverkiezingen een nationaal strijdtoneel te maken, zult u misschien zeggen. Dat klopt, en dat konden ze ook massaal doen op televisie, op de nationale radio, in de landelijke kranten, op hun websites en in de sociale media. Niemand houdt ze tegen (helaas, maar dat heb ik al eens betoogd). Maar dat doet niks af aan de kans voor open doel om juist op die verkiezingsborden hun betrokkenheid te laten zien bij de provincies en de regionale kwesties die daar belangrijk zijn.

Als het goed is kùnnen ze die kans ook makkelijk benutten. Ze hebben leden in de provincies, en provinciale partijkaders en -baronnen. Maak die dan verantwoordelijk voor die verkiezingsborden. Laat ze hun politieke Fingerspitzengefühl botvieren, onder één verbod en één voorwaarde: geen tegelspreuken, en het moet gaan over iets dat in die provincie de kiezers bezighoudt.

Stuur mij je verkiezingsbord!

Een paar dagen geleden maakte ik foto’s van verkiezingsborden met posters van partijen die onze aandacht, en natuurlijk onze stem willen trekken. Dat was in Amsterdam en Haarlem. Iedere keer als er verkiezingen naderen, word ik weer geboeid door de vraag: waarvan willen ze ons overtuigen en hoe? Eerder schreef ik er al over op deze weblog. Deze keer wil ik het wat groter aanpakken.

Borne, inzender Theo Leoné
Borne, inzender Theo Leoné

Nu verzamel ik  verkiezingsposters uit het hele land voor mijn ‘studie’, en vooral uit alle provincies. En dan eens kijken wat er te zeggen valt over de boodschappen van de partijen. Wat zij denken dat ons over de streep zal trekken, en hoe ze dat aan ons overbrengen. Met welke beelden en welke verkiezingsleuzen. Daarvoor heb ik je hulp nodig. Maak een foto van een verkiezingsbord in je omgeving en stuur hem aan mij op met de naam van de stad of het dorp waar je hem aantrof. Mijn emailadres vind je hier. Als je me volgt op Facebook of Twitter (dat kan alsnog: zie onderaan deze pagina) kan je hem ook op mijn timeline posten. Ik zet alle foto’s op deze blog met de plaats, en als je aangeeft dat je het goed vindt, je naam erbij.

Gewoon leuk. En dan gaan we eens kijken of we er soep van kunnen koken. Je krijgt bericht als ik daarmee klaar ben. Alvast veel dank!

RotterdamSpangen, inzender L.G. Aardema
RotterdamSpangen, inzender L.G. Aardema

 

Rotterdam Spangen, inzender L.G. Aardema
Rotterdam Spangen, inzender L.G. Aardema

 

Amsterdam, mr. Visserplein. Inzender Jonas de Groot
Amsterdam, mr. Visserplein. Inzender Jonas de Groot

 

Dordrecht, inzender Hans Rutten
Dordrecht, inzender Hans Rutten

Den Haag, inzender @EPinNL
Den Haag, inzender @EPinNL

 

Tilburg, inzender Barbara Sauvaitre
Tilburg, inzender Barbara Sauvaitre

 

Den Haag, Binnenhof. Inzender André Leegwater
Den Haag, Binnenhof. Inzender André Leegwater

 

Amsterdam, Oostelijke Handelskade. Inzender Jonas de Groot
Amsterdam, Oostelijke Handelskade. Inzender Jonas de Groot

 

Amsterdam, Oostelijke Handelskade. Inzender Jonas de Groot
Amsterdam, Oostelijke Handelskade. Inzender Jonas de Groot

 

Utrecht, inzender Jochem Doet Maar Wat
Utrecht, inzender Jochem Doet Maar Wat

 

Amsterdam, Spaarndammerbuurt, inzender Jonas de Groot
Amsterdam, Spaarndammerbuurt, inzender Jonas de Groot

 

Vleuten, inzender @DoetMaarWat
Vleuten, inzender @DoetMaarWat

 

De Meern, inzender @DoetMaarWat
De Meern, inzender @DoetMaarWat

 

Amsterdam, Westerdoksplein. Inzender Jonas de Groot
Amsterdam, Westerdoksplein. Inzender Jonas de Groot

 

Dordrecht, inzender Hans Rutten
Dordrecht, inzender Hans Rutten

 

Amsterdam, Westerdoksplein. Inzender Jonas de Groot
Amsterdam, Westerdoksplein. Inzender Jonas de Groot

 

Wassenaar, inzender Martijn de Groot
Wassenaar, inzender Martijn de Groot

 

Nieuwegein, inzender @DoetMaarWat
Nieuwegein, inzender @DoetMaarWat

 

Nieuwegein, inzender @DoetMaarWat
Nieuwegein, inzender @DoetMaarWat

 

Frederiksoord, inzender Jeen Akkerman
Frederiksoord, inzender Jeen Akkerman

 

IJmuiden, ingestuurd door Kirsty Oosten
IJmuiden, inzender Kirsty Oosten

 

IJmuiden, ingestuurd door Kirsty Oosten
IJmuiden, inzender Kirsty Oosten

 

Amsterdam IJburg, ingestuurd door Jonas de Groot
Amsterdam IJburg, inzender Jonas de Groot

 

Amsterdam IJburg, ingestuurd door Jonas de Groot
Amsterdam IJburg, inzender Jonas de Groot

 

Warffum(Gr.), inzender Egbert Jonkheer
Warffum(Gr.), inzender Egbert Jonkheer

 

Warffum (Gr), inzender Egbert Jonkheer
Warffum (Gr), inzender Egbert Jonkheer

 

Amsterdam Vogelbuurt, inzender Kristy Oosten
Amsterdam Vogelbuurt, inzender Kristy Oosten

 

Amsterdam, Haarlemmerplein. Inzender Adriaan de Groot
Amsterdam, Haarlemmerplein. Inzender Adriaan de Groot

 

Den Haag, Zeeheldenkwartier. Inzender Lotte van den Elsen
Den Haag, Zeeheldenkwartier. Inzender Lotte van den Elsen

 

Gouda, ingezonden door S. de Jong
Gouda, inzender Sander de Jong

In Zuid-Holland doet een partij mee onder de vlag van Jezus, waar ik nog niet eerder van hoorde: Jezusleeft.nl. Volgens de eigen website is die ook vertegenwoordigd in Flevoland, Utrecht en Noord-Brabant, maar daar moeten we nog bewijs van krijgen.

Arnhem, inzender J. Akkerman
Arnhem, inzender Jeen Akkerman

 

Amsterdam-West, inzender Martijn de Groot
Amsterdam-West, inzender Martijn de Groot

 

Amsterdam-West, inzender Martijn de Groot
Amsterdam-West, inzender Martijn de Groot

 

Haarlem, inzender Martijn de Groot
Haarlem, inzender Martijn de Groot

Geef de Eerste Kamer weer een eigen reden van bestaan

Straks gaan we naar de stembus voor de Provinciale Staten. Snel daarna zal de Eerste Kamer in nieuwe samenstelling aantreden. Dat zou wel eens een van de laatste keren kunnen zijn. Als er niet snel een duidelijke eigen bestaansgrond komt, kan het doek vallen voor het eerbiedwaardige gezelschap. Die bestaansgrond kan, behalve in het toetsen van wetten, liggen in het vertegenwoordigen van regionale verscheidenheid.

De huidige politieke praktijk legt de bijl aan de wortel van de Eerste Kamer, schreef ik ruim een jaar geleden. Fractievoorzitters in de Tweede Kamer gedragen zich alsof ze hun partijgenoten in de senaat aan een touwtje hebben, en die protesteren daar niet tegen. Maar een Eerste Kamer als dépendance van de Tweede hebben we echt niet nodig.
De recente crisis over de vrije artsenkeuze wees in dezelfde richting. In de senaat ging het over identieke politieke argumenten als in de Tweede Kamer. Aanstichter Adri Duivesteijn had geen fout in de wet gevonden, of een grondwettelijk bezwaar. Hij vond gewoon de beperking van de vrije artsenkeuze niet goed. Ook nu vroeg niemand zich af of de Eerste Kamer wel de plek was voor dit soort bezwaren.
In Den Haag zien blijkbaar niet veel mensen nog een zelfstandige functie voor de senaat. Als dan diezelfde senaat wèl in staat blijkt om kabinetten in moeilijkheden te brengen waarvoor de politieke steun in de Tweede Kamer is afgesproken, wordt hij eigenlijk een blok aan het been van het staatsbestel.

– Chambre de réflection
Wie toch nog een Eerste Kamer zou willen houden, moet wel héél duidelijk kunnen maken wat daar de eigen taak van zou moeten zijn. Behalve het toetsen van wetten die uit het rechtstreeks gekozen deel van de volksvertegenwoordiging komen, zou het vertegenwoordigen van de provincies daartoe kunnen behoren.
Het eerstgenoemde, de rol van Chambre de reflection, komt in veel landen en ook in de geschiedenis veel voor. Het is in Nederland sinds de Grondwetherziening van 1848 een taak van de senaat, maar die raakt dus steeds meer op de achtergrond.
De tweede taak, vertegenwoordigen van landsdelen, is evenmin zeldzaam. Veel landen kennen zo’n tweede parlementair lichaam waarin provincies, districten, deelstaten, regio’s of republieken vertegenwoordigd zijn. Vaak zijn die landen tot stand gekomen door het samengaan van provinciën of republieken. Dat geldt voor Duitsland waar naast de Bondsdag een Bondsraad bestaat met vertegenwoordigers van de zestien deelstaten. En voor Italië, waar de Senaat geldt als democratisch podium voor de twintig huidige regio’s. Ook de Russische Federatie en de Verenigde Staten kennen een tweekamerstelsel op deze basis.

– Grondbezit
In het verleden is ook wel aangevoerd dat een extra kamer de adel een plek zou moeten geven in het staatsbestel. Dat deden de Vlamingen toen de Grondwet van 1815 van de Nederlanden werd voorbereid, en het huidige Engelse Hogerhuis is er nog steeds een voorbeeld van. Het lijkt een derde, zij het achterhaalde bestaansreden maar hij schurkt dicht aan tegen die van de regionale vertegenwoordiging. De landadel dankt haar bestaan aan grondbezit en vertegenwoordigt daardoor automatisch de geografische verscheidenheid in een land.

– Meer accent op regionale verschillen
De Eerste Kamer zou dus de plek kunnen zijn waar in het bijzonder provinciale gezichtspunten of belangen naar voren kunnen komen. Hij wordt tenslotte al gekozen vanuit de provincies. Maar in een klein land zijn er niet genoeg regionale belangen om op een landelijk toneel uit te vechten, hoor je vaak. Is dat zo? Ik zie veel discussies waarin regionale belangen minstens zo belangrijk zijn als politieke verschillen. Denk maar aan windenergie, en de relatief grote bijdrage daaraan die juist van de kustprovincies wordt verwacht. Of aan de gevolgen van de aardgaswinning voor Groningen en de rest van Nederland. Of aan de onrendabele spoorlijnen aan de uiteinden van ons spoorwegennet. Aan de verschillen tussen de lager en hoger gelegen provincies als het om polderen en kustverdediging gaat. Of tussen de provincies waarvoor de veehouderij een levensader is en die waar dat bijvoorbeeld voor tuinbouw, toerisme of industrie geldt.

– Verkiezingen provinciale staten terugleggen bij provincies
De Eerste Kamer zou dus heel goed een platform kunnen zijn voor de regio’s of provincies en zich daarnaast, zoals in het verleden, bezighouden met het juridisch en grondwettelijk toetsen van wetten. Dat zal beter lukken als ze zich los kan maken van het ritme en de politieke logica van de Tweede Kamer. Voor die beide functies is nodig dat de provinciale basis van de leden van de Eerste Kamer beter wordt verankerd in de verkiezingsprocedure. De verkiezingen voor Provinciale Staten moeten daarom worden teruggelegd bij de provincies. Ze zijn dan geen onderdeel meer van een nationale regelmaat, maar worden binnen een zekere maximumperiode gehouden op initiatief van de provincie, als de provinciale politieke situatie erom vraagt.

– Eerste Kamer weer onafhankelijk van politieke waan van de dag
Die verkiezingen draaien dan ook weer meer om provinciale kwesties. Zodra ze zelf zijn gekozen, kiezen de leden van provinciale staten hun provinciale vertegenwoordigers in de Eerste Kamer en die vervangen op dat moment hun voorgangers. Zo verschuift de samenstelling van de senaat geleidelijk en los van de Haagse politieke klokslag. Dat is goed voor de landelijke politieke stabiliteit èn voor de accountability van de Eerste-Kamerleden. De Eerste Kamer wordt in een positie gebracht die haar eigen legitimiteit benadrukt en haar onafhankelijkheid van de politieke waan van de dag in de Tweede Kamer bestendigt. Dan voegt ze weer iets toe aan het Nederlandse staatsbestel.

Weer een relatieblad minder: CBS gooit print met badwater weg

Onlangs verscheen het laatste nummer van het CBS-relatiemagazine. Vanaf 2015 kunnen we ‘terecht’ bij een Corporate News App, volgens een begeleidende brief. Ik vind dat zonde. Het CBS kan straks zeggen dat zijn communicatie van deze tijd is maar zal een hoop aandacht en betrokkenheid van zijn relaties gaan missen.

Schermafbeelding 2014-12-24 om 10.15.44In de zeven jaar van zijn bestaan was het magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek een voorbeeld in zijn soort, vooral na de restyling van enkele jaren geleden. Bij het CBS gaat het over kennis en over de maatschappij, en dat zie je terug in het blad. Leesbaar, open, afwisselend, prima vormgegeven en vooral: informatief. Het is ‘het relatiemagazine van het CBS dat als doelstelling heeft externe relaties van het statistiekbureau te informeren over het CBS en met het CBS verwante relevante maatschappelijke ontwikkelingen’ ronkt de colofontekst. Dat kan korter maar het klopt wel. En het biedt een driemaandelijkse bevestiging van mijn eigen stelling dat bedrijfscommunicatie het moet hebben van zakelijke informatie over je product of dienst, en niet van borstklopperij.

Nu zou ik mezelf niet zijn als ik niet een paar zwakke punten van het blad kon opnoemen. Het heeft bijvoorbeeld geen titel, waardoor het in de bibliotheek en op internet niet te vinden is. Ook waren tot aan de restyling de omslagfoto’s van abominabele kwaliteit, net als trouwens die van de directeur die bij zijn onvermijdelijke voorwoord steevast werd afgebeeld in een gesloten ruimte met TL-licht, tegen een achtergrond van grijze vitrage. In het binnenwerk is er weinig of geen onderscheid naar genres zoals achtergrondverhalen, reportages of (echte) interviews. Weinig onderscheidende rubriekskopjes als ‘Aan het woord’, ‘Samenwerking’ en ‘Relaties’ benadrukken dat nog eens. En tenslotte is het blad inhoudelijk braaf en weinig gedurfd. Daarmee steekt het af tegen de kwalificatie lefgozers die ‘bladendokter’ Rob van Vuure onlangs voor customer media gebruikte, maar die kwalificatie was zelf ook weer een vorm van lef en het CBS staat nu eenmaal niet bekend om zijn bravoure.

Dat alles kan echter niet wegnemen dat je als ontvanger het magazine graag uit zijn cellofaan trok. Zelf liet ik geen nummer ongelezen aan me voorbijgaan en dat was echt niet omdat ik zo’n onstuitbare belangstelling voor statistiek heb. Als een instituut dat heeft bereikt, heeft het in elk geval iets in handen waar het heel zuinig op moet zijn.

En juist daar gaat het nu mis. Iemand binnen de statistiekfabriek heeft bedacht dat het tijd werd voor innovatie. ‘Als we niet snel met een app komen dan missen we de boot,’ heeft diegene waarschijnlijk geroepen, en ‘we moeten met onze tijd mee!’, daarmee eventuele oppositie bij voorbaat de wind uit de zeilen nemend. Die iemand kan best op de afdeling Begroting hebben gezeten. Het zou me niet verbazen. Wat me wel verbaast is de schaal waarop organisaties en bedrijven hun print media door digitaal vervangen, met de eurotekens in de ogen maar zonder stil te staan bij het enorme verschil tussen die twee kanalen.

Urgentie, actualiteit, type informatie, beeldgebruik, gelegenheid, beschikbaarheid op het goede moment, leesbaarheid, ze pakken allemaal anders uit in print dan digitaal. Ik zou dus nooit zeggen dat een app voor de CBS-relaties een verkeerd idee is. Maar ik zeg wel dat die app niet dezelfde klanten, en ook die klanten niet op dezelfde manier, zal binden omdat hij niet dezelfde informatie op hetzelfde juiste moment laat binnenkomen en indalen bij de lezer.

Het opdoeken van het relatieblad zal dus een groot verlies aan betrokkenheid van CBS-relaties meebrengen. Ik denk niet dat dat wordt goedgemaakt door het gebruik van een kortademiger app, ook niet als je de bereikte kostenbesparing er bij optelt. Als je het mij vraagt gooit het CBS onder het bezuinigen de print met het badwater weg.

Stop de taalverval!

Deze week werd er veel geschreven over de twee Kamerleden van Turkse komaf die om hun kritiek op het integratiebeleid van minister Asscher de PvdA-fractie moesten verlaten. Gemeesmuild werd er zelfs over een taalslippertje van een van de twee bij het eerste debat als Groep Kuzu/Öztürk.

Het ging over de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen, waaronder kennis van de taal. De wet is niet eerlijk, betoogde Tunahan Kuzu in een stemverklaring: ‘Daarom zullen wij tegen deze wetsvoorstel stemmen. Eh… dit wetsvoorstel.’ Zelf kon ik een glimlach ook niet onderdrukken: nèt als je aan het debatteren bent over de vereiste taalkennis van Nederlanders van buitenlandse komaf…

De pret duurde niet lang. Zo leuk was het voorval nu ook weer niet, en bovendien was het maar een voorbeeldje van iets veel groters. In het dagelijks leven wordt tegenwoordig maar al te vaak de, deze en die gezegd voor onzijdige woorden waar dat het, dit en dat moet zijn en daar vind ik niks vrolijks aan.

Taalkundige Jan Stroop heeft die ontwikkeling al beschreven in zijn boekje Hun hebben de taal verkwanseld uit 2010. Allochtone sprekers van het Nederlands hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld, constateert hij, want ‘voor deze Nederlandsleerders is ons genussysteem (de omgang met manlijke, vrouwelijke en onzijdige woorden, mdg) blijkbaar lastig’. Dat bleek dus in de Kamer deze week weer, maar anders dan Stroop die er een ‘onomkeerbare en onstuitbare’ ontwikkeling in ziet, vond Kuzu het de moeite waard om zich snel te herpakken met de juiste formulering. Talen veranderen nu eenmaal, zegt Stroop. ‘Aan mij zal het niet gelegen hebben,’ moet Kuzu hebben gedacht. Ik sta achter Kuzu.

Voor het, dit en dat is het misschien al te laat. Intussen helpen namelijk ook al veel autochtone Nederlanders mee bij de afschaffing van de onzijdige vorm. In te goeder naam en faam bekend staande nieuwsmedia, die we soms nog een rol toedichten bij het levend houden van correct Nederlands, verdringen de voorbeelden elkaar. De redactie van Nu.nl: ‘De wolf is een schuw dier die bang is voor mensen’. Een supermarktmanager in het NOS Journaal: ‘Wij vragen om een paspoort of rijbewijs en die wordt gecontroleerd’. Een verslaggever van datzelfde journaal: ‘Tien jaar geleden werd in deze portiek iemand gemolesteerd door een groep jongeren’. Een shorttracker op Radio 1: ‘Het is een proces die al een paar jaar geleden is gestart’. Een positiviteitsgoeroe op Twitter: ‘Er is slechts een ding die een droom onmogelijk maakt: de angst om te falen’. En een verslaggever op Radio 2: ‘Anouk had een huis gekocht voor haar moeder, maar die wilde ze nu weer verkopen’.

Behalve Stroop hebben dus ook veel journalisten, eindredacteuren en content managers zich gevoegd in de rijen van geslachtontkenners, en zelfs de opleiders van onze kinderen vinden we in die gelederen. De populaire combinatie ‘de boek’ is bijvoorbeeld vooral te vinden is op websites die worden beheerd door scholen, schrijft Stroop. Voor veel kinderen ‘is het nu eenmaal lastig’ zullen hun leraren misschien met hem verzuchten.

In mijn ogen moet er precies het omgekeerde gebeuren. Voor onzijdige woorden moeten onzijdige lid- en voornaamwoorden worden uitgesproken of geschreven. Wie dat niet doet moet van zijn leraar, van zijn moeder, van Tunahan Kuzu of van elk ander die hem goed gezind is, te horen krijgen dat hij ernaast zit zodat hij het de volgende keer beter kan doen. Onze taal verandert heus wel zonder dat wij willens en wetens het onderscheid tussen goed en slecht Nederlands laten vervagen.

3 manieren om een getal op te nemen in de kop van je verhaal

Vandaag kwam er weer zo’n relatiemail langs. Van het vakblad Communicatie deze keer, een specialist in koppen met cijfers. Zes in één mail nog wel. Dat was genoeg om me aan het schrijven te zetten.

Je ziet ze vaak, koppen met een cijfer erin. Ik zal die van de Communicatiemail  even onder elkaar zetten, dan weet u wat ik bedoel:

  • 4 wetenschappers over toepasbaar onderzoek voor de communicatiepraktijk
  • 17 recepten om snel beter te worden
  • 5 tips voor een goed videopersbericht
  • 5 kenmerken van een afdeling communicatie die uitmuntend presteert
  • In 6 stappen naar effectieve sales
  • De 8 bouwstenen van Social CRM.

Het is een geliefd kunstje onder redacteuren en twitteraars: noem een getal. De lezer krijgt tegelijk de indruk van volledigheid en van overzichtelijkheid: als je aan dit verhaal begint kan je het einde al zien, en wanneer je daar bent aangekomen weet je alles. Rob van Vuure, die in de jaren negentig furore maakte als bladendokter, schreef het al in zijn boek De arrogantie van het buikgevoel: ‘Een getal is soms je beste covertekst’. Het is volgens hem een professionele manier om je tekst nòg dwingender te maken. ‘Dat geldt voor elk blad. Of je nou appeltaarten, tweezittertjes of puzzels moet verkopen,’ voegde hij er volledigheidshalve aan toe, en met verkopen bedoelde hij natuurlijk de lezer zo ver krijgen om het blad uit het schap te halen en te lezen.

Een andere overweging is dat een rijtje of een getal in de kop aangeeft dat er een gestructureerd verhaal achter schuilgaat, waarin de informatie duidelijk en begrijpelijk is gerangschikt. Ook heel aantrekkelijk, maar dan moet het natuurlijk wel kloppen. Niet lang geleden las ik over dat soort structuur nog een behartigenswaardige blog van wetenschapsjournaliste Marianne Heselmans. Die ging over a three point message to organise your story. Dus niet over bijvoorbeeld 32 handige content marketing tools of 40 tips om creatief te blijven want met zulke grote getallen is de structuur van het verhaal natuurlijk niet geholpen. Maar in het geval waar Heselmans op doelt is er een helder gestructureerde tekst en dan is een kop die dat weerspiegelt natuurlijk dè afmaker.

Tenslotte is er nog een variant voor redacties van bladen en websites, die ook al door Van Vuure werd aangereikt. Hoe kom je aan ideeën, vroeg hij in het hoofdstukje ‘Achttien verzamelideeën’. Je neemt een interessant gegeven en je gaat verzamelen, vervolledigen. Dat leverde in Panorama onder Van Vuure dan koppen op als ‘Deze twaalf Nederlandse kantonrechters gingen in de fout’ of ‘Alle sportdoden van de afgelopen tien jaar’.

En zo hebben we dan een aardig rijtje opgebouwd: er zijn dus drie manieren om een rijtje te gebruiken. Simpelweg door een getal in je kop of tweet op te nemen; door een tekst te schrijven in duidelijk onderscheiden onderdelen en dat in je kop aan te kondigen, of door te kijken hoe ver je komt met een zelfgekozen verzamelcriterium, en het resultaat in je kop of tweet te zetten.

Ik heb nog maar drie adviezen, de eerste van Van Vuure en de laatste twee van mezelf.

3 adviezen om een effectief rijtje te maken:

  • Gebruik geen ronde getallen want die zijn minder geloofwaardig;
  • Gebruik geen grote getallen (’32 handige content marketing tools’) want die doen de beloftes teniet van een getal (structuur, volledigheid en overzichtelijkheid);
  • En gebruik rijtjes spaarzaam, want als je het te vaak doet wordt het een kunstje en dat is in the first place waarom ik erover begon te schrijven.

Wetenschappelijk advies in Brussel: niet-transparant kan ook deugen

Nu voorzitter Juncker klaar is met de bezetting van zijn Commissie, kan hij zijn aandacht richten op de wankelende positie van zijn Chief Scientific Adviser Anne Glover. De kritiek op Glover past in de opvlammende discussie over de relatie tussen wetenschap en maatschappij. Het is te hopen dat Juncker zijn rug recht houdt.

Glover ligt al een tijdje onder vuur van milieu- en gezondheidsgroepen zoals Greenpeace en Friends of the Earth. Zij eisen in brieven aan Juncker haar vertrek en zelfs opheffing van haar baan, die in 2011 is ingesteld door Junckers voorganger Barroso. Belangrijke verwijten zijn dat Glover zich heeft uitgelaten ten gunste van genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s) en dat ze zich verzet tegen openbaarheid van haar adviezen aan de commissievoorzitter. Met dat eerste nam ze een ‘eenzijdige’ positie in volgens de critici, die ‘niet de wetenschappelijke consensus weerspiegelt’. Een vreemd verwijt in een discussie die zich bij uitstek onderscheidt door gebrek aan consensus, zowel in als buiten de wetenschap. Ongetwijfeld zouden de critici anders geoordeeld hebben als Glover zich tégen de toepassing van GMO’s zou hebben verklaard, een positie die evenmin de wetenschappelijke consensus weerspiegelt.

De roep om openbaarheid van haar adviezen lijkt dan ook gedreven door gebrek aan zekerheid dat die zullen stroken met de standpunten van de critici. Hoe eerder dat duidelijk wordt, des te beter kan de strijd ertegen worden aangebonden. Glover wil dat niet: ‘Zou ik transparant zijn, dan zou iedereen meteen beginnen zijn positie te verdedigen. Daar ben ik niet in geïnteresseerd. I’m interested in getting the best evidence possible,’ verdedigt ze zich. En: ‘Ik probeer me in alles wat ik doe op de wetenschappelijke feiten te baseren.’ Haar standpunt kreeg steun van wetenschappers, maar ook van de werkgeversfederatie BusinessEurope. Dat laatste was dan weer aanleiding voor de actiegroepen om te suggereren dat Glover ‘gevestigde belangen’ dient.

Het is een oude discussie die juist afgelopen jaar weer hoog is opgelaaid: moet wetenschap de maatschappij alleen beïnvloeden of de maatschappij ook de wetenschap? Vorig jaar zocht de rebellengroep Science in Transition de publiciteit met een pleidooi om de maatschappij meer invloed te geven op het bepalen en beoordelen van onderzoek. Begin van deze maand opende de nieuwe baas van Wageningen UR Louise Fresco het academisch jaar met een pleidooi om ‘de samenleving meer te betrekken bij het ontwikkelen van kennis’. Om het hoofd te bieden aan het groeiende maatschappelijke scepticisme en pessimisme over de wetenschap, aldus Fresco. Ze kreeg veel bijval. Begrijpelijk want de gedachte dat de samenleving, die het overgrote deel van het onderzoek financiert, daar ook invloed op moet hebben is sowieso moeilijk te weerstaan.

Voor mij blijven beslissende vragen: wie vertegenwoordigt ‘de samenleving’ en waarop moet die partij dan invloed hebben? Als het erom gaat wat er moet worden onderzocht is actieve maatschappelijke invloed vast en zeker goed. Maar als de vraag is hoe de verworven kennis wordt ontwikkeld en welke resultaten dat oplevert, dan kan die invloed daar volgens mij het beste zo ver mogelijk uit de buurt blijven. We hebben de wetenschap nu juist om kennis te ontwikkelen zònder vooropgezette invloeden, overtuigingen en belangen.

En dat is precies wat de Chief Scientific Adviser in Brussel lijkt te verdedigen. Met een kleine verandering van de mis-en-scène: bij haar gaat het niet om het voortbrengen van kennis maar om het verzamelen ervan. Hoe minder maatschappelijke invloeden er in dat stadium een kans krijgen, des te waardevoller zal de kennis zijn voor het beleid en des te beter kunnen de maatschappelijke organisaties zich erop storten wanneer dat beleid aan democratische controle wordt blootgesteld. Ik wens Glover dus sterkte toe en Juncker een rechte rug.

De geloofwaardigheid van een ‘grandioze primeur’

Een ‘grandioze primeur’ stelt De Nationale Opera me op 9 augustus in het vooruitzicht. Als operaliefhebber heb ik me geabonneerd op hun emailnieuwsbrief. Dit moet wel iets bijzonders worden, gaat er door me heen. Maar kan een primeur grandioos zijn, en kan je een kleine maand van te voren al weten of dat zo is?

Aankondiging door De Nationale Opera
Foto bij aankondiging door De Nationale Opera

Ik moet denken aan een regel die ik zelf hanteer bij teksten en communicatieadviezen: aandikken van een positief oordeel gaat vaak ten koste van het effect, en als het over je eigen prestaties gaat komt het de geloofwaardigheid ook niet ten goede. Mijn klanten geloven dat niet altijd meteen, overtuigd als ze zijn van de kwaliteiten van hun product. Ze willen niets liever dan hun doelgroep daar deelgenoot van maken. Toch houd ik dan vaak vol. Eén: je wil effect en twee: daarvoor moet je geloofwaardig zijn.

Effect bereik je meestal beter zonder overtreffende trap dan mèt. Je bent bijvoorbeeld overtuigender wanneer je als toeschouwer zegt: ‘Het was een prachtige voorstelling’ dan wanneer je uitroept: ‘Het was een heel erg prachtige voorstelling’. Door ‘heel erg’ toe te voegen wordt de werking van het woord ‘prachtig’ minder.

Geloofwaardigheid bereik je door zakelijk en informatief te blijven, vooral als het over eigen roem gaat. Je kan dus beter schrijven dat je een primeur hebt, dan dat je een ‘grandioze primeur’ hebt. De lezer weet in het eerste geval dat je iets brengt wat nog niemand anders heeft gebracht. In het tweede geval krijgt hij vooral de indruk dat je nogal ondersteboven bent van je eigen prestaties.

De Nationale Opera heeft hier bij zijn aankondiging misschien niet aan gedacht. Geen man overboord natuurlijk, maar het houdt hier niet op. Een week voor de première krijg ik een tweede mail. Daarin wordt de uitvoering van de Gurre-Lieder van Arnold Schönberg – want daar gaat het hier om – niet alleen een ‘grandioze primeur’ genoemd maar ook nog een ‘absolute primeur’ èn een ‘once-in-a-lifetime wereldprimeur’. En, zo wordt er voor de zekerheid aan toegevoegd, hij wordt ‘voor het allereerst’ uitgevoerd.

En nog heeft de cultuurtempel zijn kruit niet verschoten. Drie dagen na de premiere, op 5 september, word ik opnieuw per email bijgepraat: de uitvoering van de Gurre-Lieder is nu een gigantische primeur. Deze keer staan er ook, zoals het hoort en van nature heel effectief – de lovende kwalificaties bij van recensenten: fantastisch, kippenvel, magistraal, wonderbaarlijk’. Ik denk dus wel dat het een mooie voorstelling is geweest. Maar kunt u zich voorstellen dat ik intussen een beetje murw was en dat deze nieuwe, op zichzelf geloofwaardige, golf van loftuitingen nu als water van een eend van me afgleed?

Het Europees Parlement revisited

Met de benoeming van Jean-Claude Juncker als voorzitter van de Europese Commissie in het vooruitzicht is de rol van het Europees Parlement nog dagelijks in het nieuws. Juncker wordt immers door dat parlement naar voren geschoven. Zijn benoeming zou als een overwinning voor de Europese democratie gezien kunnen worden. Ik geloof niet dat dat parlement iets aan de democratie in Europa toe kan voegen, schreef ik op deze plaats vlak voor de verkiezingen. Daar kwamen veel reacties op die me weer aan het denken zetten. Eigenlijk blijkt het te gaan het om de vraag of je Europa als ‘ideaal’ ziet of als profijtelijk samenwerkingsverband tussen staten.

Jean-Claude Juncker
Jean-Claude Juncker

Meestal is het zo: wie blij is dat er een Europese Unie bestaat, vindt het parlement ook in orde, en wie de Europese Unie niet goed vindt, vindt het parlement ook niet goed. Ik schreef dat de Unie een zegen is terwijl het Europees Parlement gemist kan worden.

Sommige reacties konden met dat onderscheid tussen EU en parlement niet overweg. Als je tegen het parlement bent, ben je tegen Europa, was dan de gedachte en dat laatste werd me inderdaad voor de voeten geworpen – zeer ten onrechte.

– EP leeft niet

Anderen dachten dat ik de parlementariërs veroordeelde, om hun declaratiegedrag of te hoge beloning. Zij steunden me dan daarin (‘ja, ik vind ook dat het parlement klappen verdient!’) of ze bestreden me (‘Europarlementariërs zijn hele fatsoenlijke mensen’). Nu schreef ik wel dat het verdwijnen van het parlement ‘veel smetten op het blazoen van de Unie zou schelen’, maar daarmee wilde ik niet oordelen over de parlementariërs. Ik dacht er meer aan dat een bonnetje onterecht indienen of een niet voor jou bedoelde vergoeding incasseren, dingen zijn van alle tijden en alle mensen, die nou eenmaal gemakkelijker gebeuren in situaties waarin je niet op de vingers wordt gekeken. En dàt je niet op de vingers wordt gekeken als Europarlementariër komt er in mijn ogen weer door dat het EP niet leeft bij de nationale electoraten.

– Machtsstrijd tussen instellingen

Over die naties gesproken. Er kunnen geen twee soevereine machten naast elkaar bestaan, betoogde ik ook. De nationale parlementen zijn soeverein. Zij hebben het laatste woord over de afspraken die hun ministers maken in de Raad, dus dan moet je daar geen bypass naast zetten in de vorm van een ander parlement. Nee hoor, schreef een voormalig ambtenaar die veel in Brussel was geweest, dat kan best. Kijk maar naar al die staten die naast een direct gekozen parlement nog een senaat hebben.

Even was ik uit het veld geslagen, maar ik herpakte mezelf. Die senaten hebben van oorsprong altijd een eigen functie, naast die van het direct gekozen parlement. Bijvoorbeeld regionale belangen of landadel vertegenwoordigen, of staatsrechtelijke merites beoordelen. Maar in de EU hebben Raad en parlement allebei het laatste woord, kunnen ze allebei wheelen en dealen rond een Commissievoorstel en elkaar zo langdurig in de haren zitten. Dat doen ze ook regelmatig, zoals we in de krant kunnen lezen. Een medewerker van het Europees Parlement zag mijn blogpost dan ook helemaal in het licht van de machtsstrijd tussen de instellingen: ‘Commissie en Raad vinden net als De Groot de open en vrije markt het belangrijkste. Het parlement plaatst daar juist sociale en solidaire kanttekeningen bij.’ Maar wordt de Raad dan niet bevolkt door ministers die van hun electoraat al dan niet de opdracht hebben sociaal of solidair te zijn? Ook anderen wierpen me voor de voeten dat het Parlement toch heel goede dingen heeft gedaan. Toch was ik daar niet van onder de indruk. Wat de een goed vindt, vindt de ander niet goed. Een parlement is er niet om goede dingen te doen, maar om het volk te vertegenwoordigen en de machthebbers te controleren. En trouwens, een machtsstrijd tussen de instellingen is wel het laatste wat we nodig hebben om vertrouwen te behouden in het Europese bouwwerk.

– Verwatering

‘Checks and balances’, noemde een docent aan de London School of Economics het parallel functioneren van Raad en Parlement. Ik denk juist dat het verwatering betekent van de beslissende invloed die een nationaal parlement moet hebben op wat zijn ministers in Brussel afspreken. Die docent vond dat niet erg. Want, zei hij, die nationale parlementen hebben zich meestal in meerderheid aan hun regering verbonden dus die zullen niet zo gauw hun ministers op de vingers tikken. Dat laatste is natuurlijk waar, maar als het een bezwaar is geldt dat voor het hele functioneren van de parlementaire democratie. Dankzij dat principe kunnen er immers coalities bestaan die het langer dan een blauwe maandag uithouden.

– Europees ‘ideaal’

Eigenlijk is er maar één frame waarin het bestaan van een Europees Parlement vanzelfsprekend lijkt: dat van een Europese natie in wording. Binnen zo’n kader zou het voor de hand liggen om de Europese democratie in te richten naar het evenbeeld van de nationale democratieën. De Europese Commissie in de rol van regering, het Europees Parlement in de rol van volksvertegenwoordiging en de Raad in de rol van senaat, waarin de lidstaten hun zegje kunnen doen. Als die analogie ergens mank zou gaan en dat doet ze natuurlijk, zou dat in dit frame alleen maar reden kunnen zijn voor hervormingen om haar nòg completer te maken: meer bevoegdheden naar het parlement, leider van grootste partij moet voorzitter Commissie leveren, enzovoort.

Maar tegen dat ene frame bestaat ook één onoverkomelijk bezwaar: de burgers in de landen van de EU zijn teveel aan hun eigen naties gehecht om heil te zien in zo’n Europese natie. In de vorige eeuw liet dat Europese ‘ideaal’ de meeste mensen al koud. Maar tegenwoordig roept het verzet op, en dat zou een reden moeten zijn om er voorlopig niet naar te streven. Niet openlijk en niet indirect. Dus geen Europees Parlement, maar een profijtelijke samenwerking tussen naties, met een heldere besluitvorming en bevoegdheden voor de Europese Commissie om die besluiten te doen nakomen.

Pakkend beeld, altijd lastig

Schermafbeelding 2014-06-14 om 15.58.22

Dezer dagen verscheen het eerste nummer van het gerestylede Tijdschrift voor Marketing. Mooi en functioneel, die nieuwe vormgeving. Mij trof meteen de omslagfoto, die me deed denken aan een commerciële waanzinscène van enkele jaren geleden.

Dat punt heeft de redactie al gescoord voordat ik het blad heb aangeraakt. Toepasselijke beeldspraak trouwens, want op de foto staat een man die in de weer is met een voetbal. Begrijpelijk, want het is de tijd van het WK, maar hij heeft er wel een ongebruikelijke omgeving voor uitgekozen. Hij speelt namelijk zijn potje in een droge vlakte, onder de brandende zon, één op één tegen een pittige leeuwin. Het lijkt alsof het dier belangstelling heeft voor de bal, maar als kijker vermoeden we het ergste.

De man draagt een keurig pak. Een Van Gilspak, weet ik uit goede bron maar het Tijdschrift voor Marketing lijkt er alles aan te willen doen om dat voor ons verborgen te houden. De Van Gilsman is misschien even een luchtje gaan scheppen om te ontsnappen aan het door grofwild omgeven conferentieoord waarin hij met zijn collega’s bezig was marketingvraagstukken in depth te bespreken. Vlak daarvoor kon hij nog  net zijn nieuwe sportschoenen aantrekken, maar het is de vraag of die hem zullen helpen als de leeuwin straks haar aandacht definitief verlegt van de bal naar de tegenstander.

Voor ons is het intussen volledig onduidelijk welke andere dan suïcidale drijfveren de sportieve marketeer in deze hachelijke situatie hebben gebracht. We zien een soort moderne waanzinscène (‘Brandend zand beneemt je bijna van ’t verstand’) waarvan ons, anders dan in de opera, het dramatische doel ontgaat. Geen van de Ankeilers op de cover geeft een aanwijzing, en ook op de inhoudspagina ontbreekt elke clou. Diep verborgen in het binnenwerk, op pagina 46, treffen we tenslotte een eenpaginaverhaal waarvan de foto’s verraden dat het op de cover is aangekondigd. Wie het goed leest wordt gerust gesteld: de doldrieste marketeer blijkt een leeuwenfluisteraar, met wie het toch nog goed zal aflopen.

Ik moest bij het zien van deze cover meteen denken aan een 1/1 advertentie van Regardz, het bedrijf dat vergaderruimtes verhuurt. Een paar jaar geleden scheurde ik die uit een tijdschrift om als voorbeeld te kunnen gebruiken hoe je met gemak je advertentiebudget over de balk kan smijten. Het is geen coverfoto maar de achterliggende gedachte zal dezelfde zijn geweest: eerst aandacht trekken, dan komt de rest vanzelf. Ook deze advertentie werd gedragen door een foto in de categorie ‘Brandend Zand’. Maar terwijl de man met de voetbal nog een zekere doelgerichtheid uitstraalt, is de vrouw in de Amerikaanse woestijn letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Ze is waarschijnlijk uit de auto gezet door een bestuurder die haar gezelschap niet langer kon verdragen, volledig in zichzelf gekeerd als zij was, of die bij het rijden ernstige hinder ondervond van haar vruchteloze pogingen om haar jas uit te krijgen. Eenmaal op straat is ze met dat laatste onverstoorbaar doorgegaan maar ook hier blijkt ze niet in staat haar bewegingen zodanig te coördineren dat we op een goede afloop mogen hopen – ook al omdat ze zich met haar rug naar het verkeer midden op de weg heeft geposteerd. Als kroon op deze orgie van introverte verdoling vermeldt de kop: ‘Niet in een hokje te plaatsen’. Aan ons als kijkers dringt zich  juist de gedachte op dat dat de enige plek is waar deze vrouw zich veilig opgeborgen zou kunnen weten. Mogelijk heeft Regardz ons willen vertellen dat we niet hoeven te vrezen om in zijn eigen vergaderhokjes te worden lastiggevallen door getormenteerde liftsters. We zullen het nooit weten. Maar wat we wèl weten: als we al een associatie aan deze advertentie overhouden is dat er een van totale ontreddering, wanhoop en stuurloosheid.

De twee waanzinscènes hebben veel gemeen, maar ik moet toegeven dat mijn sterke voorkeur naar één van de twee uitgaat: die met de roekeloze vergadertijger die zich met doodsverachting èn kennelijk plezier in een één-op-één duel stort met zijn natuurlijke evenknie. Ik mag zulke vermetele types wel. Het is trouwens gewoon een intrigerende plaat. Blijkbaar mag je soms, een enkele keer misschien, toch alle regels aan je laars lappen bij het kiezen van een foto.