Stop de taalverval!

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

Deze week werd er veel geschreven over de twee Kamerleden van Turkse komaf die om hun kritiek op het integratiebeleid van minister Asscher de PvdA-fractie moesten verlaten. Gemeesmuild werd er zelfs over een taalslippertje van een van de twee bij het eerste debat als Groep Kuzu/Öztürk.

Het ging over de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen, waaronder kennis van de taal. De wet is niet eerlijk, betoogde Tunahan Kuzu in een stemverklaring: ‘Daarom zullen wij tegen deze wetsvoorstel stemmen. Eh… dit wetsvoorstel.’ Zelf kon ik een glimlach ook niet onderdrukken: nèt als je aan het debatteren bent over de vereiste taalkennis van Nederlanders van buitenlandse komaf…

De pret duurde niet lang. Zo leuk was het voorval nu ook weer niet, en bovendien was het maar een voorbeeldje van iets veel groters. In het dagelijks leven wordt tegenwoordig maar al te vaak de, deze en die gezegd voor onzijdige woorden waar dat het, dit en dat moet zijn en daar vind ik niks vrolijks aan.

Taalkundige Jan Stroop heeft die ontwikkeling al beschreven in zijn boekje Hun hebben de taal verkwanseld uit 2010. Allochtone sprekers van het Nederlands hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld, constateert hij, want ‘voor deze Nederlandsleerders is ons genussysteem (de omgang met manlijke, vrouwelijke en onzijdige woorden, mdg) blijkbaar lastig’. Dat bleek dus in de Kamer deze week weer, maar anders dan Stroop die er een ‘onomkeerbare en onstuitbare’ ontwikkeling in ziet, vond Kuzu het de moeite waard om zich snel te herpakken met de juiste formulering. Talen veranderen nu eenmaal, zegt Stroop. ‘Aan mij zal het niet gelegen hebben,’ moet Kuzu hebben gedacht. Ik sta achter Kuzu.

Voor het, dit en dat is het misschien al te laat. Intussen helpen namelijk ook al veel autochtone Nederlanders mee bij de afschaffing van de onzijdige vorm. In te goeder naam en faam bekend staande nieuwsmedia, die we soms nog een rol toedichten bij het levend houden van correct Nederlands, verdringen de voorbeelden elkaar. De redactie van Nu.nl: ‘De wolf is een schuw dier die bang is voor mensen’. Een supermarktmanager in het NOS Journaal: ‘Wij vragen om een paspoort of rijbewijs en die wordt gecontroleerd’. Een verslaggever van datzelfde journaal: ‘Tien jaar geleden werd in deze portiek iemand gemolesteerd door een groep jongeren’. Een shorttracker op Radio 1: ‘Het is een proces die al een paar jaar geleden is gestart’. Een positiviteitsgoeroe op Twitter: ‘Er is slechts een ding die een droom onmogelijk maakt: de angst om te falen’. En een verslaggever op Radio 2: ‘Anouk had een huis gekocht voor haar moeder, maar die wilde ze nu weer verkopen’.

Behalve Stroop hebben dus ook veel journalisten, eindredacteuren en content managers zich gevoegd in de rijen van geslachtontkenners, en zelfs de opleiders van onze kinderen vinden we in die gelederen. De populaire combinatie ‘de boek’ is bijvoorbeeld vooral te vinden is op websites die worden beheerd door scholen, schrijft Stroop. Voor veel kinderen ‘is het nu eenmaal lastig’ zullen hun leraren misschien met hem verzuchten.

In mijn ogen moet er precies het omgekeerde gebeuren. Voor onzijdige woorden moeten onzijdige lid- en voornaamwoorden worden uitgesproken of geschreven. Wie dat niet doet moet van zijn leraar, van zijn moeder, van Tunahan Kuzu of van elk ander die hem goed gezind is, te horen krijgen dat hij ernaast zit zodat hij het de volgende keer beter kan doen. Onze taal verandert heus wel zonder dat wij willens en wetens het onderscheid tussen goed en slecht Nederlands laten vervagen.