Plan en werkelijkheid in de voedselproductie: het hemd is nader dan de rok

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

‘Iedere keer maken we mooie plannen voor het platteland en dan blijkt later dat het wéér niet is gelukt om ze te realiseren’. Het was een veel geuite klacht, ja bijna een frustratie die rondzong op de bijeenkomst ‘Ruimte voor Voedsel’, vorige week in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Niels Koeman, lid van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), trapte af: land- en tuinbouw zijn mede door hun grote innovatiekracht belangrijk voor de economie en verdienen daarom de ruimte, maar ze moeten wel snel verduurzamen om aan de veranderende maatschappelijke eisen te kunnen voldoen. Dat was ruim een jaar geleden ook ruwweg de inhoud geweest van het advies van zijn raad, waaraan ik als schrijver heb mogen meewerken.

Spanning dus, tussen bijna onstuitbare groeikracht en dynamiek aan de ene kant, en bijsturend en hervormend streven vanuit de samenleving en de sector zelf aan de andere. Tot zo ver niks bijzonders. Spanning levert energie op, en deze spanning heeft al tot veel verandering en modernisering geleid in de land- en tuinbouw. Dat proces gaat nog gewoon door.

Wat mij nu in de overige bijdragen en tijdens de discussie opviel was nog niet eens dat de meeste aanwezigen vonden dat het niet hard genoeg ging. Dat had ook in het advies van de Raad voor de Leefomgeving gestaan. Nee, het was meer de verbazing daarover, soms neigend naar verontwaardiging. Planologen ontwerpen toekomstbeelden voor een duurzame en/of natuurvriendelijke land- en tuinbouw en die sector wil maar steeds niet aan die beelden voldoen. Wèg was de erkenning dat voedselproductie een economische bezigheid is, en dat de land- en tuinbouw een van de meest innovatieve maaksectoren is die ons land kent. Nu werd er vooral geklaagd. Over de taaiheid en het gebrek aan veranderingsgezindheid van de boeren en tuinders, leek het. Door Tia Hermans van Alterra, met een overigens doorwrocht overzicht van ongewenste neveneffecten van de voedselproductie, dat er nu eindelijk eens grenzen gesteld moesten worden. Door een medewerkster van de provincie Noord-Brabant, dat er altijd maar weer uitzonderingen worden gemaakt voor boeren en tuinders. Door Larensteinlector Rik Eweg, over de boer die steeds maar hetzelfde wil produceren wat hij altijd al heeft gedaan en dan verbaasd is dat de mensen het niet willen kopen. En zelfs door Rli-man Koeman, die meer dan eens boeren beschreef die maar niet van hun plaats wilden komen ‘omdat hun ouders en grootouders ook al op die plek hadden geboerd’.

Ik verbaasde me oprecht. Ik ken de agrarische sector als bij uitstek veranderingsgezind en vooruitstrevend. Altijd bezig betere producten en productietechnieken te bedenken, of betere grondstoffen voor een coöperatie die dan op haar beurt weer betere producten bedenkt. Toen er nog ruilverkavelingen waren, altijd in de rij om te mogen verhuizen naar een betere plek of naar een van de nieuwe polders. En nu nog steeds bij stadsuitbreiding in de startblokken voor een nieuwe locatie met ruimte voor een mooi en efficiënt bedrijf. Hoe kunnen de beelden van één en dezelfde sector zo verschillend zijn?

Een verschil in uitgangspunt, bedacht ik tenslotte. Voor een ruimtelijk planner of een beschermer van een bepaald landschap is de wens het uitgangspunt. Niet wat er is, maar wat er zou moeten zijn: de sector moet er zo-en-zo uit zien, aan die-en-die eisen voldoen.  Als niemand die persoon tegenspreekt – en zo gaat het vaak – dan wil diegene na verloop van tijd dat het ‘nu eindelijk eens een keer’ wordt gerealiseerd. Maar daarbij kan hij wel eens vergeten dat die beelden of tekeningen gaan over een werkelijkheid waar de boer of tuinder in woont en werkt. De werkelijkheid van alledag dus, met zijn bedrijf en de markt waarin het opereert in het centrum. Als uitgangspunt. Nu kan die boer of tuinder heel goed veranderingsgezind zijn. De meesten zijn dat ook omdat ze anders hun bedrijf niet in de benen kunnen houden. Maar het hemd is wel altijd nader dan de rok: het bedrijf moet blijven bestaan en er liefst een beetje beter van worden. Niet zo’n vreemd uitgangspunt natuurlijk als je de hypotheek en de opleiding van je kinderen moet betalen, maar het wordt wel eens over het hoofd gezien door mensen die plannen hebben met de sector.

Droom tegen werkelijkheid, dat is een lastige confrontatie.