Maandelijks archief: juni 2014

Het Europees Parlement revisited

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

Met de benoeming van Jean-Claude Juncker als voorzitter van de Europese Commissie in het vooruitzicht is de rol van het Europees Parlement nog dagelijks in het nieuws. Juncker wordt immers door dat parlement naar voren geschoven. Zijn benoeming zou als een overwinning voor de Europese democratie gezien kunnen worden. Ik geloof niet dat dat parlement iets aan de democratie in Europa toe kan voegen, schreef ik op deze plaats vlak voor de verkiezingen. Daar kwamen veel reacties op die me weer aan het denken zetten. Eigenlijk blijkt het te gaan het om de vraag of je Europa als ‘ideaal’ ziet of als profijtelijk samenwerkingsverband tussen staten.

Jean-Claude Juncker

Jean-Claude Juncker

Meestal is het zo: wie blij is dat er een Europese Unie bestaat, vindt het parlement ook in orde, en wie de Europese Unie niet goed vindt, vindt het parlement ook niet goed. Ik schreef dat de Unie een zegen is terwijl het Europees Parlement gemist kan worden.

Sommige reacties konden met dat onderscheid tussen EU en parlement niet overweg. Als je tegen het parlement bent, ben je tegen Europa, was dan de gedachte en dat laatste werd me inderdaad voor de voeten geworpen – zeer ten onrechte.

– EP leeft niet

Anderen dachten dat ik de parlementariërs veroordeelde, om hun declaratiegedrag of te hoge beloning. Zij steunden me dan daarin (‘ja, ik vind ook dat het parlement klappen verdient!’) of ze bestreden me (‘Europarlementariërs zijn hele fatsoenlijke mensen’). Nu schreef ik wel dat het verdwijnen van het parlement ‘veel smetten op het blazoen van de Unie zou schelen’, maar daarmee wilde ik niet oordelen over de parlementariërs. Ik dacht er meer aan dat een bonnetje onterecht indienen of een niet voor jou bedoelde vergoeding incasseren, dingen zijn van alle tijden en alle mensen, die nou eenmaal gemakkelijker gebeuren in situaties waarin je niet op de vingers wordt gekeken. En dàt je niet op de vingers wordt gekeken als Europarlementariër komt er in mijn ogen weer door dat het EP niet leeft bij de nationale electoraten.

– Machtsstrijd tussen instellingen

Over die naties gesproken. Er kunnen geen twee soevereine machten naast elkaar bestaan, betoogde ik ook. De nationale parlementen zijn soeverein. Zij hebben het laatste woord over de afspraken die hun ministers maken in de Raad, dus dan moet je daar geen bypass naast zetten in de vorm van een ander parlement. Nee hoor, schreef een voormalig ambtenaar die veel in Brussel was geweest, dat kan best. Kijk maar naar al die staten die naast een direct gekozen parlement nog een senaat hebben.

Even was ik uit het veld geslagen, maar ik herpakte mezelf. Die senaten hebben van oorsprong altijd een eigen functie, naast die van het direct gekozen parlement. Bijvoorbeeld regionale belangen of landadel vertegenwoordigen, of staatsrechtelijke merites beoordelen. Maar in de EU hebben Raad en parlement allebei het laatste woord, kunnen ze allebei wheelen en dealen rond een Commissievoorstel en elkaar zo langdurig in de haren zitten. Dat doen ze ook regelmatig, zoals we in de krant kunnen lezen. Een medewerker van het Europees Parlement zag mijn blogpost dan ook helemaal in het licht van de machtsstrijd tussen de instellingen: ‘Commissie en Raad vinden net als De Groot de open en vrije markt het belangrijkste. Het parlement plaatst daar juist sociale en solidaire kanttekeningen bij.’ Maar wordt de Raad dan niet bevolkt door ministers die van hun electoraat al dan niet de opdracht hebben sociaal of solidair te zijn? Ook anderen wierpen me voor de voeten dat het Parlement toch heel goede dingen heeft gedaan. Toch was ik daar niet van onder de indruk. Wat de een goed vindt, vindt de ander niet goed. Een parlement is er niet om goede dingen te doen, maar om het volk te vertegenwoordigen en de machthebbers te controleren. En trouwens, een machtsstrijd tussen de instellingen is wel het laatste wat we nodig hebben om vertrouwen te behouden in het Europese bouwwerk.

– Verwatering

‘Checks and balances’, noemde een docent aan de London School of Economics het parallel functioneren van Raad en Parlement. Ik denk juist dat het verwatering betekent van de beslissende invloed die een nationaal parlement moet hebben op wat zijn ministers in Brussel afspreken. Die docent vond dat niet erg. Want, zei hij, die nationale parlementen hebben zich meestal in meerderheid aan hun regering verbonden dus die zullen niet zo gauw hun ministers op de vingers tikken. Dat laatste is natuurlijk waar, maar als het een bezwaar is geldt dat voor het hele functioneren van de parlementaire democratie. Dankzij dat principe kunnen er immers coalities bestaan die het langer dan een blauwe maandag uithouden.

– Europees ‘ideaal’

Eigenlijk is er maar één frame waarin het bestaan van een Europees Parlement vanzelfsprekend lijkt: dat van een Europese natie in wording. Binnen zo’n kader zou het voor de hand liggen om de Europese democratie in te richten naar het evenbeeld van de nationale democratieën. De Europese Commissie in de rol van regering, het Europees Parlement in de rol van volksvertegenwoordiging en de Raad in de rol van senaat, waarin de lidstaten hun zegje kunnen doen. Als die analogie ergens mank zou gaan en dat doet ze natuurlijk, zou dat in dit frame alleen maar reden kunnen zijn voor hervormingen om haar nòg completer te maken: meer bevoegdheden naar het parlement, leider van grootste partij moet voorzitter Commissie leveren, enzovoort.

Maar tegen dat ene frame bestaat ook één onoverkomelijk bezwaar: de burgers in de landen van de EU zijn teveel aan hun eigen naties gehecht om heil te zien in zo’n Europese natie. In de vorige eeuw liet dat Europese ‘ideaal’ de meeste mensen al koud. Maar tegenwoordig roept het verzet op, en dat zou een reden moeten zijn om er voorlopig niet naar te streven. Niet openlijk en niet indirect. Dus geen Europees Parlement, maar een profijtelijke samenwerking tussen naties, met een heldere besluitvorming en bevoegdheden voor de Europese Commissie om die besluiten te doen nakomen.

Pakkend beeld, altijd lastig

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

Schermafbeelding 2014-06-14 om 15.58.22

Dezer dagen verscheen het eerste nummer van het gerestylede Tijdschrift voor Marketing. Mooi en functioneel, die nieuwe vormgeving. Mij trof meteen de omslagfoto, die me deed denken aan een commerciële waanzinscène van enkele jaren geleden.

Dat punt heeft de redactie al gescoord voordat ik het blad heb aangeraakt. Toepasselijke beeldspraak trouwens, want op de foto staat een man die in de weer is met een voetbal. Begrijpelijk, want het is de tijd van het WK, maar hij heeft er wel een ongebruikelijke omgeving voor uitgekozen. Hij speelt namelijk zijn potje in een droge vlakte, onder de brandende zon, één op één tegen een pittige leeuwin. Het lijkt alsof het dier belangstelling heeft voor de bal, maar als kijker vermoeden we het ergste.

De man draagt een keurig pak. Een Van Gilspak, weet ik uit goede bron maar het Tijdschrift voor Marketing lijkt er alles aan te willen doen om dat voor ons verborgen te houden. De Van Gilsman is misschien even een luchtje gaan scheppen om te ontsnappen aan het door grofwild omgeven conferentieoord waarin hij met zijn collega’s bezig was marketingvraagstukken in depth te bespreken. Vlak daarvoor kon hij nog  net zijn nieuwe sportschoenen aantrekken, maar het is de vraag of die hem zullen helpen als de leeuwin straks haar aandacht definitief verlegt van de bal naar de tegenstander.

Voor ons is het intussen volledig onduidelijk welke andere dan suïcidale drijfveren de sportieve marketeer in deze hachelijke situatie hebben gebracht. We zien een soort moderne waanzinscène (‘Brandend zand beneemt je bijna van ’t verstand’) waarvan ons, anders dan in de opera, het dramatische doel ontgaat. Geen van de Ankeilers op de cover geeft een aanwijzing, en ook op de inhoudspagina ontbreekt elke clou. Diep verborgen in het binnenwerk, op pagina 46, treffen we tenslotte een eenpaginaverhaal waarvan de foto’s verraden dat het op de cover is aangekondigd. Wie het goed leest wordt gerust gesteld: de doldrieste marketeer blijkt een leeuwenfluisteraar, met wie het toch nog goed zal aflopen.

Ik moest bij het zien van deze cover meteen denken aan een 1/1 advertentie van Regardz, het bedrijf dat vergaderruimtes verhuurt. Een paar jaar geleden scheurde ik die uit een tijdschrift om als voorbeeld te kunnen gebruiken hoe je met gemak je advertentiebudget over de balk kan smijten. Het is geen coverfoto maar de achterliggende gedachte zal dezelfde zijn geweest: eerst aandacht trekken, dan komt de rest vanzelf. Ook deze advertentie werd gedragen door een foto in de categorie ‘Brandend Zand’. Maar terwijl de man met de voetbal nog een zekere doelgerichtheid uitstraalt, is de vrouw in de Amerikaanse woestijn letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Ze is waarschijnlijk uit de auto gezet door een bestuurder die haar gezelschap niet langer kon verdragen, volledig in zichzelf gekeerd als zij was, of die bij het rijden ernstige hinder ondervond van haar vruchteloze pogingen om haar jas uit te krijgen. Eenmaal op straat is ze met dat laatste onverstoorbaar doorgegaan maar ook hier blijkt ze niet in staat haar bewegingen zodanig te coördineren dat we op een goede afloop mogen hopen – ook al omdat ze zich met haar rug naar het verkeer midden op de weg heeft geposteerd. Als kroon op deze orgie van introverte verdoling vermeldt de kop: ‘Niet in een hokje te plaatsen’. Aan ons als kijkers dringt zich  juist de gedachte op dat dat de enige plek is waar deze vrouw zich veilig opgeborgen zou kunnen weten. Mogelijk heeft Regardz ons willen vertellen dat we niet hoeven te vrezen om in zijn eigen vergaderhokjes te worden lastiggevallen door getormenteerde liftsters. We zullen het nooit weten. Maar wat we wèl weten: als we al een associatie aan deze advertentie overhouden is dat er een van totale ontreddering, wanhoop en stuurloosheid.

De twee waanzinscènes hebben veel gemeen, maar ik moet toegeven dat mijn sterke voorkeur naar één van de twee uitgaat: die met de roekeloze vergadertijger die zich met doodsverachting èn kennelijk plezier in een één-op-één duel stort met zijn natuurlijke evenknie. Ik mag zulke vermetele types wel. Het is trouwens gewoon een intrigerende plaat. Blijkbaar mag je soms, een enkele keer misschien, toch alle regels aan je laars lappen bij het kiezen van een foto.

Plan en werkelijkheid in de voedselproductie: het hemd is nader dan de rok

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

‘Iedere keer maken we mooie plannen voor het platteland en dan blijkt later dat het wéér niet is gelukt om ze te realiseren’. Het was een veel geuite klacht, ja bijna een frustratie die rondzong op de bijeenkomst ‘Ruimte voor Voedsel’, vorige week in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Niels Koeman, lid van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), trapte af: land- en tuinbouw zijn mede door hun grote innovatiekracht belangrijk voor de economie en verdienen daarom de ruimte, maar ze moeten wel snel verduurzamen om aan de veranderende maatschappelijke eisen te kunnen voldoen. Dat was ruim een jaar geleden ook ruwweg de inhoud geweest van het advies van zijn raad, waaraan ik als schrijver heb mogen meewerken.

Spanning dus, tussen bijna onstuitbare groeikracht en dynamiek aan de ene kant, en bijsturend en hervormend streven vanuit de samenleving en de sector zelf aan de andere. Tot zo ver niks bijzonders. Spanning levert energie op, en deze spanning heeft al tot veel verandering en modernisering geleid in de land- en tuinbouw. Dat proces gaat nog gewoon door.

Wat mij nu in de overige bijdragen en tijdens de discussie opviel was nog niet eens dat de meeste aanwezigen vonden dat het niet hard genoeg ging. Dat had ook in het advies van de Raad voor de Leefomgeving gestaan. Nee, het was meer de verbazing daarover, soms neigend naar verontwaardiging. Planologen ontwerpen toekomstbeelden voor een duurzame en/of natuurvriendelijke land- en tuinbouw en die sector wil maar steeds niet aan die beelden voldoen. Wèg was de erkenning dat voedselproductie een economische bezigheid is, en dat de land- en tuinbouw een van de meest innovatieve maaksectoren is die ons land kent. Nu werd er vooral geklaagd. Over de taaiheid en het gebrek aan veranderingsgezindheid van de boeren en tuinders, leek het. Door Tia Hermans van Alterra, met een overigens doorwrocht overzicht van ongewenste neveneffecten van de voedselproductie, dat er nu eindelijk eens grenzen gesteld moesten worden. Door een medewerkster van de provincie Noord-Brabant, dat er altijd maar weer uitzonderingen worden gemaakt voor boeren en tuinders. Door Larensteinlector Rik Eweg, over de boer die steeds maar hetzelfde wil produceren wat hij altijd al heeft gedaan en dan verbaasd is dat de mensen het niet willen kopen. En zelfs door Rli-man Koeman, die meer dan eens boeren beschreef die maar niet van hun plaats wilden komen ‘omdat hun ouders en grootouders ook al op die plek hadden geboerd’.

Ik verbaasde me oprecht. Ik ken de agrarische sector als bij uitstek veranderingsgezind en vooruitstrevend. Altijd bezig betere producten en productietechnieken te bedenken, of betere grondstoffen voor een coöperatie die dan op haar beurt weer betere producten bedenkt. Toen er nog ruilverkavelingen waren, altijd in de rij om te mogen verhuizen naar een betere plek of naar een van de nieuwe polders. En nu nog steeds bij stadsuitbreiding in de startblokken voor een nieuwe locatie met ruimte voor een mooi en efficiënt bedrijf. Hoe kunnen de beelden van één en dezelfde sector zo verschillend zijn?

Een verschil in uitgangspunt, bedacht ik tenslotte. Voor een ruimtelijk planner of een beschermer van een bepaald landschap is de wens het uitgangspunt. Niet wat er is, maar wat er zou moeten zijn: de sector moet er zo-en-zo uit zien, aan die-en-die eisen voldoen.  Als niemand die persoon tegenspreekt – en zo gaat het vaak – dan wil diegene na verloop van tijd dat het ‘nu eindelijk eens een keer’ wordt gerealiseerd. Maar daarbij kan hij wel eens vergeten dat die beelden of tekeningen gaan over een werkelijkheid waar de boer of tuinder in woont en werkt. De werkelijkheid van alledag dus, met zijn bedrijf en de markt waarin het opereert in het centrum. Als uitgangspunt. Nu kan die boer of tuinder heel goed veranderingsgezind zijn. De meesten zijn dat ook omdat ze anders hun bedrijf niet in de benen kunnen houden. Maar het hemd is wel altijd nader dan de rok: het bedrijf moet blijven bestaan en er liefst een beetje beter van worden. Niet zo’n vreemd uitgangspunt natuurlijk als je de hypotheek en de opleiding van je kinderen moet betalen, maar het wordt wel eens over het hoofd gezien door mensen die plannen hebben met de sector.

Droom tegen werkelijkheid, dat is een lastige confrontatie.