Maandelijks archief: januari 2015

Geef de Eerste Kamer weer een eigen reden van bestaan

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookGoogle+Email to someone

Straks gaan we naar de stembus voor de Provinciale Staten. Snel daarna zal de Eerste Kamer in nieuwe samenstelling aantreden. Dat zou wel eens een van de laatste keren kunnen zijn. Als er niet snel een duidelijke eigen bestaansgrond komt, kan het doek vallen voor het eerbiedwaardige gezelschap. Die bestaansgrond kan, behalve in het toetsen van wetten, liggen in het vertegenwoordigen van regionale verscheidenheid.

De huidige politieke praktijk legt de bijl aan de wortel van de Eerste Kamer, schreef ik ruim een jaar geleden. Fractievoorzitters in de Tweede Kamer gedragen zich alsof ze hun partijgenoten in de senaat aan een touwtje hebben, en die protesteren daar niet tegen. Maar een Eerste Kamer als dépendance van de Tweede hebben we echt niet nodig.
De recente crisis over de vrije artsenkeuze wees in dezelfde richting. In de senaat ging het over identieke politieke argumenten als in de Tweede Kamer. Aanstichter Adri Duivesteijn had geen fout in de wet gevonden, of een grondwettelijk bezwaar. Hij vond gewoon de beperking van de vrije artsenkeuze niet goed. Ook nu vroeg niemand zich af of de Eerste Kamer wel de plek was voor dit soort bezwaren.
In Den Haag zien blijkbaar niet veel mensen nog een zelfstandige functie voor de senaat. Als dan diezelfde senaat wèl in staat blijkt om kabinetten in moeilijkheden te brengen waarvoor de politieke steun in de Tweede Kamer is afgesproken, wordt hij eigenlijk een blok aan het been van het staatsbestel.

– Chambre de réflection
Wie toch nog een Eerste Kamer zou willen houden, moet wel héél duidelijk kunnen maken wat daar de eigen taak van zou moeten zijn. Behalve het toetsen van wetten die uit het rechtstreeks gekozen deel van de volksvertegenwoordiging komen, zou het vertegenwoordigen van de provincies daartoe kunnen behoren.
Het eerstgenoemde, de rol van Chambre de reflection, komt in veel landen en ook in de geschiedenis veel voor. Het is in Nederland sinds de Grondwetherziening van 1848 een taak van de senaat, maar die raakt dus steeds meer op de achtergrond.
De tweede taak, vertegenwoordigen van landsdelen, is evenmin zeldzaam. Veel landen kennen zo’n tweede parlementair lichaam waarin provincies, districten, deelstaten, regio’s of republieken vertegenwoordigd zijn. Vaak zijn die landen tot stand gekomen door het samengaan van provinciën of republieken. Dat geldt voor Duitsland waar naast de Bondsdag een Bondsraad bestaat met vertegenwoordigers van de zestien deelstaten. En voor Italië, waar de Senaat geldt als democratisch podium voor de twintig huidige regio’s. Ook de Russische Federatie en de Verenigde Staten kennen een tweekamerstelsel op deze basis.

– Grondbezit
In het verleden is ook wel aangevoerd dat een extra kamer de adel een plek zou moeten geven in het staatsbestel. Dat deden de Vlamingen toen de Grondwet van 1815 van de Nederlanden werd voorbereid, en het huidige Engelse Hogerhuis is er nog steeds een voorbeeld van. Het lijkt een derde, zij het achterhaalde bestaansreden maar hij schurkt dicht aan tegen die van de regionale vertegenwoordiging. De landadel dankt haar bestaan aan grondbezit en vertegenwoordigt daardoor automatisch de geografische verscheidenheid in een land.

– Meer accent op regionale verschillen
De Eerste Kamer zou dus de plek kunnen zijn waar in het bijzonder provinciale gezichtspunten of belangen naar voren kunnen komen. Hij wordt tenslotte al gekozen vanuit de provincies. Maar in een klein land zijn er niet genoeg regionale belangen om op een landelijk toneel uit te vechten, hoor je vaak. Is dat zo? Ik zie veel discussies waarin regionale belangen minstens zo belangrijk zijn als politieke verschillen. Denk maar aan windenergie, en de relatief grote bijdrage daaraan die juist van de kustprovincies wordt verwacht. Of aan de gevolgen van de aardgaswinning voor Groningen en de rest van Nederland. Of aan de onrendabele spoorlijnen aan de uiteinden van ons spoorwegennet. Aan de verschillen tussen de lager en hoger gelegen provincies als het om polderen en kustverdediging gaat. Of tussen de provincies waarvoor de veehouderij een levensader is en die waar dat bijvoorbeeld voor tuinbouw, toerisme of industrie geldt.

– Verkiezingen provinciale staten terugleggen bij provincies
De Eerste Kamer zou dus heel goed een platform kunnen zijn voor de regio’s of provincies en zich daarnaast, zoals in het verleden, bezighouden met het juridisch en grondwettelijk toetsen van wetten. Dat zal beter lukken als ze zich los kan maken van het ritme en de politieke logica van de Tweede Kamer. Voor die beide functies is nodig dat de provinciale basis van de leden van de Eerste Kamer beter wordt verankerd in de verkiezingsprocedure. De verkiezingen voor Provinciale Staten moeten daarom worden teruggelegd bij de provincies. Ze zijn dan geen onderdeel meer van een nationale regelmaat, maar worden binnen een zekere maximumperiode gehouden op initiatief van de provincie, als de provinciale politieke situatie erom vraagt.

– Eerste Kamer weer onafhankelijk van politieke waan van de dag
Die verkiezingen draaien dan ook weer meer om provinciale kwesties. Zodra ze zelf zijn gekozen, kiezen de leden van provinciale staten hun provinciale vertegenwoordigers in de Eerste Kamer en die vervangen op dat moment hun voorgangers. Zo verschuift de samenstelling van de senaat geleidelijk en los van de Haagse politieke klokslag. Dat is goed voor de landelijke politieke stabiliteit èn voor de accountability van de Eerste-Kamerleden. De Eerste Kamer wordt in een positie gebracht die haar eigen legitimiteit benadrukt en haar onafhankelijkheid van de politieke waan van de dag in de Tweede Kamer bestendigt. Dan voegt ze weer iets toe aan het Nederlandse staatsbestel.