Alle berichten van martijn

De macht van Brussel: laat u niks wijsmaken

‘Minder EU’, ‘Brussel niet de baas’, ‘Stop de uitverkoop van nationale soevereiniteit’; leuzen als deze gaan als warme broodjes in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement. Niet alleen bij anti-EU-partijen. Ook partijen die het Nederlandse lidmaatschap van de EU nog nooit ter discussie hebben gesteld, doen zorgeloos mee. Het lijkt aantrekkelijk om de rol van de EU af te schilderen als ongewenste inmenging in onze nationale zaken. Mag ik het even ronduit zeggen? Dit is misleiding. Misleiding uit domheid of uit berekening, maar het blijft misleiding. Laat u niks wijsmaken.

Nederland is niet het enige land waar politici het over de EU hebben alsof het een vreemde mogendheid is die zijn plaats moet worden gewezen. De Brexitcampagne in het Verenigd Koninkrijk stond bol van zulke uitingen. ‘We mogen van Brussel geen worst meer eten volgens Engels recept’ is er een uit vele; de Brexiteers grossierden erin. Maar zij niet alleen. Europa de schuld geven is makkelijk om een heleboel redenen maar vooral omdat Brussel nooit iets terug zegt. De EU wil als het even kan geen ruzies met zijn eigen lidstaten.

In werkelijkheid heeft Brussel echter – laten we het nou eens helder vaststellen – géén autonome macht om van alles over ons te beslissen. Wetten en regels die de Unie instelt zijn gebaseerd op besluiten van de Raad van Ministers, waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, en op goedkeuring van het Europees Parlement (EP). Dat parlement kan overigens evenmin als de Brusselse ambtenarij zelfbedachte uitvoeringsbesluiten nemen. Wanneer de EU iets ‘aan ons oplegt’ is dat dus altijd iets waar onze regering over heeft meebesloten. Er worden in Brussel ook besluiten bij meerderheid genomen, met andere woorden tegen de zin van sommige lidstaten, maar dan hebben die staten nog steeds procedures om zich daartegen te verzetten. Bovendien: zulke besluiten zijn dan niet ‘door’ Brussel genomen maar ‘in’ Brussel, door de vergadering van verantwoordelijke ministers of regeringsleiders.

Zo werkt de Unie. De Europese Commissie, het topje van de ambtelijke ijsberg, doet voorstellen. De Raad van ministers die over de materie gaan, neemt besluiten. Het parlement controleert, en vervolgens is het aan de Commissie om toe te zien op de uitvoering van die besluiten. En dàn komen vaak de terugtrekkende bewegingen. In de lidstaat is niet iedereen blij met het afgesproken beleid, de politici kruipen in hun schulp en beweren in koor dat het ‘niet aangaat’ dat Brussel ons ‘zomaar’ denkt iets voor te kunnen schrijven. Neem het vrije verkeer van personen en goederen dat tot de basisprincipes van de Unie behoort. Wanneer de concurrentie van goedkope Oost-Europese werkers tot verzet leidt van de vakbonden, roepen de verantwoordelijke politici – óók die het prima vinden dat we bij de EU horen – dat we niet langer moeten accepteren dat dit vrije verkeer door Brussel aan ons wordt opgelegd. Ze roepen niet dat het een schaduwzijde is van een beleid waar ons land van harte mee heeft ingestemd omdat we er als exporterend en handeldrijvend land onnoemelijk veel voordeel mee behalen.

De ‘macht’ van Brussel is dus heel beperkt, ook al door de ellenlange procedures om de lidstaten op één lijn te krijgen en daarna ook nog het Europees Parlement te overtuigen[1]. En de macht die de EU wèl heeft, gaat over de uitvoering van besluiten waarbij de lidstaten allemaal betrokken zijn geweest. Laat u zich niks wijsmaken over een Europese superstaat. Die bestaat niet.

Partijen die onze angst voor de macht van de huidige EU proberen aan te jagen en te exploiteren zijn ofwel onwetend, ofwel te kwader trouw. Ik denk het eerste, maar voor groeperingen die menen Nederland en de Europese Unie mee te mogen besturen is dat al erg genoeg. Geef die angst-exploitanten geen kans. Zet ze op hun nummer. Politici die niet weten hoe Europa werkt of die zich van de domme houden om onze sympathie te winnen, zijn onze stem niet waard.

 

[1] In een eerdere blog heb ik al eens betoogd dat Europa beter af zou zijn zonder dat parlement, maar daar gaat het hier niet over.

Spaar de spar, kap met kappen!

Misschien kent u die ervaring. Lopen in de stilte van een dennenbos, waar het licht alleen van boven komt. Alleen je eigen voetstappen zachtjes horen, een beetje verontrust opkijken als ergens in de verte een takje kraakt. Dan even stilhouden om alleen maar te luisteren, zodat er niets overblijft dan het ruisen van de dennen boven je. Op zo’n moment is het alsof je opgaat in de natuur. Het is een ervaring die ik iedereen zou gunnen, maar die in Nederland steeds moeilijker te beleven valt omdat er steeds minder naaldbos is.

Naaldbomen zijn al tientallen jaren uit de gunst bij de beheerders van natuurgebieden. Sinds de jaren tachtig is het aandeel naaldbos in Nederland met ruim een kwart verminderd, van 40% naar 29,7%[1] volgens het Planbureau voor de Leefomgeving. En dat lijkt door te gaan. Net zoals in vorige jaren trof ik deze herfst op verschillende wandelplaatsen weer de bordjes met teksten over de boswerkzaamheden waarbij nog meer naaldbomen het veld moeten ruimen. Ook de websites van natuurbeheerders informeren ons over ‘omvormingsprojecten’ van naald- naar loofhout. ‘De heersende trend onder beleidsmakers is dat naaldbossen nauwelijks natuurwaarden bezitten, zodat ze zonder meer gekapt kunnen worden,’ schreef Alterra-onderzoeker R.J. Bijlsma in 2010 in het paddenstoelenblad Coolia.
Maar wie bepaalt dan wat natuurwaarden zijn? Is dat exclusief een vraag voor beleidsmakers en ecologen? Zelf ben ik erg gehecht aan die dennen- en sparrenbomen. Ik vind ze puur natuur en ik geloof niet dat ik de enige ben. Dus vraag ik me af: waar is die ‘heersende trend’ op gebaseerd?

– Geen inheemse flora
Op de bordjes en websites wordt vaak gesproken over ‘natuurherstel’, alsof naaldbomen geen natuur zijn. De gedachte daarachter lijkt te zijn dat naaldbos ‘ooit is aangeplant’ zoals het in de Amsterdamse Waterleidingduinen heet. ‘We maken hier ruimte voor duineigen bomen,’ kan je daar lezen, op een bordje in de schaduw van een paar reusachtige sparren die makkelijk honderd jaar oud kunnen zijn. ‘Daarvoor verwijderen we boomsoorten die ooit zijn aangeplant en oorspronkelijk niet passen in het duin.’ Maar wie vindt dan dat ze daar niet passen? De bomen zelf duidelijk niet, want die hebben het er prima naar hun zin.
Drinkwaterbedrijf en natuurbeheerder PWN spreekt op zijn website het hoge woord: ‘Loofbossen behoren tot onze inheemse flora’, en naaldbossen dus niet. Deze laatste zijn zelfs te vinden ‘op plekken waar van nature geen bos zou groeien’, volgens PWN – een wat boude bewering want die bomen zijn toch niet uit de grond getrokken door medewerkers van de terreinbeheerder?
Zulke aanplant gebeurde in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e, dus 70 tot 170 jaar geleden, vertelt het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Om zandverstuivingen tegen te gaan’ bijvoorbeeld, waar overigens ook veel loofbomen voor zijn aangeplant.  Of ‘om hout te leveren voor de mijnbouw in Limburg.’ Voor de mijnen dus waarvan de laatste al vijftig jaar geleden dicht ging. Samengevat: naaldbomen voegen niet veel toe aan de natuur, ze horen hier niet en we hebben ze ook niet meer nodig. Laten we dat rijtje argumenten nu eens langs lopen.

– Hooglanders en Heckrunderen
Om met het laatste te beginnen: negentig procent van het hout dat wij in Nederland verbruiken komt uit het buitenland[2]. Daar is de productie goedkoper, maar het langeafstandsvervoer naar ons land brengt wel een aanzienlijke CO2-footprint mee. Uit duurzaamheidsoogpunt zou hout van eigen bodem dus welkom moeten zijn, en bovendien: in de moeizame exploitatie van natuurgebieden zijn lage opbrengsten uit houtkap altijd nog beter dan helemaal geen opbrengsten. Er is dus juist veel te zeggen voor exploiteerbaar naaldhout in natuurgebieden. Sterker nog, de laatste rijksnatuurnota prijst en propageert zogeheten natuurcombinaties, projecten dus waar natuur en economie hand in hand gaan.
Dan de ‘eigen bos eerst’-redenering: moeten we werkelijk bomen die hier honderdzeventig jaar geleden nog niet waren, nu gaan uitfaseren omdat ze ergens anders in de evolutie hun bestaan zijn begonnen? En geldt dat dan ook voor de damherten, die hier een paar honderd jaar geleden door de landadel uit Oost-Europa naartoe zijn gehaald voor de jacht? Of voor de Konikpaarden, Schotse Hooglanders en Heckrunderen, allemaal geïmporteerd om onze natuurgebieden te helpen onderhouden? Laten we nuchter blijven. Alles in het landschap en in de natuur beweegt en verandert, niet in de laatste plaats door toedoen van ons mensen. Rivieren stromen, delta’s worden gekoloniseerd, wateren worden ingedamd en drooggelegd, zaden en beestjes verspreiden zich door toedoen van trekvogels, dieren, schepen, mensen. En dan zouden wij een aantal boomsoorten de deur moeten wijzen terwijl ze, anders dan exoten zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse vogelkers die in de duinen woekert, niemand kwaad doen en heel veel mensen een onvervangbare natuurbeleving bezorgen?

– Goed voor de totale biodiversiteit
Het derde in het rijtje argumenten tegen naaldbossen is dat van de geringe natuurwaarde: te weinig biodivers. In loofbossen krijgt meer ondergroei een kans, lees je vaak, in de vorm van planten en heesters. De bodem krijgt er meer licht, is natter en minder zuur en dat komt die biodiversiteit ten goede. Daar valt op zich weinig tegenin te brengen, maar kan het altijd als argument dienen om naaldbos verder terug te dringen? Naaldbos heeft misschien een mindere biodiversiteit, maar vooral ook een andere dan loofbos, en draagt zo op zichzelf al bij aan de totale biodiversiteit in Nederland.[3] Volgens de Mycologische Vereniging Nederland, die zich verzet tegen de anti-naaldbostrend, kenmerkt zulk bos zich door ‘veel karakteristieke organismen waarbij vooral de enorme hoeveelheid paddenstoelen opvalt. Hieronder zijn honderden bedreigde soorten die op de officiële Nederlandse Rode Lijst staan.’ Voor de natuur is de mindere variatie in het naaldbos dus misschien wel veel waardevoller dan de grotere variatie in loofbos.
Een laatste argument voor loofbos is het effect op de beschikbaarheid van drinkwater. Je leest het niet vaak op de bordjes of websites, en dat is eigenlijk gek want dit is wèl een steekhoudend argument – in waterwingebieden. Loofbomen laten vooral in hun bladloze periode heel wat meer regenwater door, dat in de grond terecht kan komen om bij te dragen aan het drinkwaterreservoir. Dat was in 1994 al reden voor de drinkwaterbedrijven op de Veluwe om te vragen om minder naaldbos[4]. De meeste bossen staan echter niet in waterwingebieden en daar heeft dit argument dus geen waarde.

– Voorkeur samenleving laten meewegen
Alles overziende blijven er dus maar twee houdbare redenen over voor ‘omvorming’: biodiversiteit en drinkwater – allebei met een beperkte geldigheid. Daar staan heel goede argumenten tegenover om er nu, na ruim dertig jaar, juist mee te stoppen. Naaldbossen zijn goed voor natuurcombinaties, voor de financiering van natuurgebied, voor bedreigde paddenstoelen en voor de biodiversiteit op macroniveau. En last but not least: ze zijn goed voor de natuurbeleving van vele natuurliefhebbers, wandelaars en recreanten. Het omvormingsbeleid – vanaf het weghalen van jonge boompjes tot het rooien van hele bossen – heeft langdurige en vaak onomkeerbare gevolgen voor onze natuur dus ook voor de samenleving die er recreatief gebruik van maakt. Tegenover een wankel onderbouwde ‘heersende trend onder beleidsmakers’ zou de voorkeur vanuit die samenleving op z’n minst zwaar mee moeten wegen. Ik hoor ook bij die samenleving en ik zou het wel weten als me iets werd gevraagd: spaar de spar, kap met kappen!

Een tussenstand in de duinen bij Zandvoort. Tussen en achter de naaldbomen dringt het loofbos op.

 

[1] Eigenlijk: het aandeel niet gemengde naaldbossen, volgens het Compendium voor de Leefomgeving

[2] Volgens de Vereniging Inlands Hout

[3] Zie ook mijn eerdere blogpost over biodiversiteit.

[4] Volgens een artikel in het Bosbouwkundig Tijdschrift, waarin de bosbouwvereniging KNBV protesteerde tegen de voortschrijdende ‘verloofing’

De vermeende autoriteit van Van Dale

Als je een taaldiscussie wil beslechten kijk je in de Van Dale. Het Groene Boekje kan ook maar dat is dunner en geeft minder toelichting. Dus: Van Dale. Zo heb ik er altijd over gedacht en ik ben echt niet de enige. Door een recente taalkwestie is mijn vertrouwen echter gaan wankelen.

Ik zie al een hele tijd met regelmaat nieuwsberichten waarin het woord ‘vermeend’ wordt gebruikt in de betekenis van ‘vermoedelijk’. ‘Vermeende dieven van buitenboordmotoren aangehouden’ bijvoorbeeld. Fout, volgens mij. Zoals ik mijn moederstaal heb geleerd zou je vermeende dieven die zijn gearresteerd, onmiddellijk weer vrij moeten laten. Dat zijn namelijk niet de echte dieven. Het zijn mensen van wie ten onrechte wordt gedacht dat ze dieven zijn. Of: ‘Doden door vermeende gasaanval in Aleppo’. Als het een vermeende gasaanval was, kunnen er geen slachtoffers zijn gevallen, zegt mijn taalgevoel, dus ergens klopt hier iets niet.

Het blijft terugkomen, en het blijft me hinderen. Niet zo lang geleden ook weer: Vermeende topcrimineel ‘Rico de Chileen’ verdacht van meerdere liquidaties’. Dus zo ver is het al gekomen met de misdaad in ons land, dacht ik eerst: ze kunnen denken dat je een reeks liquidaties op je geweten hebt en toch nog twijfelen aan je status als topcrimineel. Wat moet je dàn doen om dat predicaat te verdienen? Maar het drong al snel tot me door dat ik het zoveelste voorbeeld voor me had van die, laten we maar zeggen, vermeende betekenis van het woord ‘vermeend’. Het ging hier om een vermoedelijke topcrimineel.

Nu werd het me te veel. Ik besloot de Van Dale erop na te slaan om mijn gelijk te halen, maar dat liep uit op een teleurstelling: volgens ons nationale taalbaken zou zowel de ene betekenis, die van ‘vermoedelijke dader’, correct zijn als de andere, die van ‘ten onrechte verdachte persoon’.

OK. Laat me dit even rustig recapituleren. We hebben dus één woord, dat volgens Van Dale zowel op ‘onschuld’ als op ‘vermoedelijke schuld’ kan duiden. Ik kan het eigenlijk niet geloven. Zijn daar meer voorbeelden van? Zou er bijvoorbeeld een woord kunnen zijn dat tegelijk ‘zwart’ en ‘vermoedelijk wit’ betekent? Of een begrip dat tegelijk ‘onjuist’ en ‘waarschijnlijk juist’ aanduidt? Bij de Taalunie zouden ze wel raad weten met zo’n woord: ‘Het gebruik van deze term in dit verband is fout, maar ook vermoedelijk goed’. Er zou een hele last van hun schouders vallen.

Wie een echt bestaand voorbeeld weet melde zich. En terwijl ik dat in spanning afwacht, voer ik nog een laatste reden aan waarom we het woord ‘vermeend’ niet in de betekenis van ‘vermoedelijk’ moeten accepteren. We hèbben namelijk dat woord ‘vermoedelijk’ al, en dat heeft maar één betekenis. Een andere term voor hetzelfde voegt dus niets toe, behalve verwarring als het ook nog zijn eigen tegendeel beduidt zoals hier het geval is. Ik stel dan ook voor dat Van Dale alsnog de erkenning van die andere term – vermeend in de betekenis van vermoedelijk – intrekt. Doet ze dat niet, dan riskeert ze voortaan te worden aangeduid als vermeende taalautoriteit. Misschien vindt ze dat zelf een compliment, maar wij weten beter.

Metamorfose: Wageningen UR 1993-2018

Boek over organisatie, onderwijs en onderzoek van Wageningen UR in de vijfentwintig jaar tot aan het honderdjarig bestaan van de universiteit. Geschreven met Joost van Kasteren.

tekst (geen eindredactie)

Wat is er eigenlijk zo goed aan biodiversiteit?

Biodiversiteit: iedereen wil het, iedereen is ervoor. Bosjes in de stad, bloemrijke akkerranden, dode bomen, vlechtheggen, ze zijn allemaal goed voor de biodiversiteit dus in orde. Zo eenvoudig lijkt het te zijn. En omgekeerd, wat niet goed is voor de biodiversiteit is ook niet in orde. Directeur Louise Vet van het Wageningse natuurinstituut NIOO, duurzaamheidspersoon van het jaar volgens Trouw, wil binnenkort een Deltaplan Biodiversiteit presenteren. En minister van LNV Carola Schouten waarschuwt in haar recente visienota[1] dat de landbouw ‘de biodiversiteit niet meer onder druk mag zetten’.

Sinds het in 1992 door de Verenigde Naties werd omarmd heeft het een soort sterrenstatus gekregen. Maar is dat terecht? Zelf heb ik er altijd mijn twijfels bij gehad. Het leek me onwaarschijnlijk dat variatie op zichzelf iets goeds zou kunnen zijn, in de natuur of waar dan ook. Ik dacht dan bijvoorbeeld aan de grootschalige graanteelt in het bekken van Parijs of in het oosten van Duitsland, waar je de tarwe om je heen tot aan de horizon ziet groeien. Fantastisch!

…de biodiversiteit op een stuk land terugdringen, om van dat land een optimale oogst van één bepaald gewas te kunnen halen…

Of aan de eindeloze suikerplantages die ik in het zuiden van Zimbabwe zag. Of, als het over natuur gaat want die kan er ook wat van, aan de onafzienbare berglandschappen met sparrenbomen in Midden-Europa, en de woestijnen en poollandschappen die onze aarde ook telt. Prachtig en indrukwekkend; laat dat vooral zo weinig divers blijven. Mijn intuïtie zegt: op de ene plek is diversiteit nuttig of gewenst, op de andere plek juist uniformiteit. Ook in de mate van variatie moet variatie te vinden zijn.

– Biodiversiteit in de moestuin
Maar dat is een gevoel, dus betwistbaar. Wat daarentegen moeilijk te bestrijden lijkt, is dat ‘biodiversiteit’ een onwerkbaar begrip is als je er geen plaats en schaal bij noemt. De biodiversiteit op de wereld handhaven, zoals de VN destijds bepleitte[2], daar kan je moeilijk tegen zijn. Maar willen we ook zo veel mogelijk verschillende organismen in Europa, binnen onze landsgrenzen, per provincie? Per hectare  of per vierkante meter? En willen we dat dan op elke hectare en elke vierkante meter?
Willen we biodiversiteit in onze huiskamers of badkamers? Nee, zou ik zeggen. De muizen en bacteriën die zichzelf daar uitnodigen wijzen we resoluut de deur. Willen we biodiversiteit op ons gazon of terras, of op het voetbalveld? Nee, en daar hoeven we ons ook niet schuldig over te voelen want de plantjes en mossen die we daar geen ruimte gunnen krijgen heus wel weer ergens anders een kans. Wil je biodiversiteit in je moestuin, op dat lapje grond dat jij nou juist had gereserveerd voor je koolrabi en wortelen? Nee. En zo is het ook niet vreemd dat een boer niet zit te wachten op biodiversiteit in zijn akker of op zijn grasland, zeg ik in het bijzonder tegen minister Schouten. Haar wens om de biodiversiteit niet meer te laten hinderen door de landbouw is wel mooi, maar niet realistisch. Laten we wel wezen: landbouw heeft altijd de biodiversiteit onder druk gezet. Sterker nog, het wezen van de landbouw is de biodiversiteit op een stuk land terug te dringen, om van dat land een optimale oogst van één bepaald gewas te kunnen halen. Je mag dus rustig zeggen dat de landbouw uit de aard van zijn wezen nooit zal kunnen voldoen aan de wens van de minister.

– Soorten de vrije loop geven
En dat geeft ook niks. Zolang er in de vrije groene ruimte buiten die landbouwgrond wèl genoeg plek is voor een veelheid aan organismen is er geen probleem. Laten we bijvoorbeeld eens een denkbeeldig experiment doen op een boerenbedrijf. Stel, we hebben zo’n bedrijf in een polder, en aan het andere eind van die polder ligt een natuurgebied. Nu gaan we de verzuchting van minister Schouten eens serieus nemen en we kopen, met overheidsgeld, de helft van dat boerenbedrijf op. Daar gaan we allerlei soorten de vrije loop geven. We leggen er dode bomen neer, verhogen de waterstand, geven uiteraard geen kunstmest meer en doen verder alles om er zoveel mogelijk organismen zich thuis te laten voelen. Op de overgebleven helft van het bedrijf gaat de boer door met een zo hoog mogelijke opbrengst na te streven van één of enkele gewassen. Is de biologische variatie op de voormalige oppervlakte van het bedrijf nu groter geworden? Ja, want op die ene helft wonen allerlei beestjes en organismen die zich er voorheen niet durfden te wagen. En is de biodiversiteit in de hele polder toegenomen? Nee, want de planten en dieren die nu in groten getale de helft van dat boerenbedrijf bevolken, zullen grotendeels overeenkomen met die in het natuurgebiedje dat er al lag.

– Meer beestjes maar niet meer soorten
Net zo’n experiment kan je binnen het natuurgebied doen. Laten we bijvoorbeeld eens een lapje grond nemen van tien bij tien meter in een natuurgebied. Vroeger werd een omgevallen boom weggehaald, verzaagd en/of opgestookt, maar tegenwoordig blijft hij liggen – op dat lapje grond van tien bij tien in ons geval. De boswachter zal ons waarschijnlijk uitleggen dat dat goed is voor de biodiversiteit: allerlei beestjes, schimmels, insecten en wormen komen er naartoe om zich tegoed te doen aan het ontbindende hout. Dat zal het aantal verschillende organismen opstuwen op ons lapje grond. Maar waar komen die beestjes vandaan? Vermoedelijk toch van naburige lapjes grond waar ze hun kans zaten af te wachten, of waar ze al met een andere boomstronk bezig waren geweest. De biodiversiteit is op ons lapje grond wel, maar in het hele bos niet gegroeid. Er zijn wel meer beestjes, maar niet meer soorten gekomen.
Biodiversiteit rond een gevallen boom voegt dus weinig of niets toe aan die in het hele bos, en biodiversiteit op een halve boerderij – of in een bloemrijke akkerrand, for that matter – draagt evenmin veel bij aan de biologische variatie in de polder, de provincie of het land.

– Beter een vogel beschermen dan ‘de biodiversiteit’
Waarom zou je dan toch plaatselijk, op microniveau, de biodiversiteit op willen stuwen? Ik kan twee redenen bedenken. De eerste zou kunnen zijn dat er een soort algemene regel bestaat: hoe meer exemplaren van reeds aanwezige soorten er op een zekere oppervlakte aanwezig zijn, des te beter voor onze leefomstandigheden. Ik ken die regel niet, en als hij er wel is gaat hij niet over biodiversiteit maar over de omvang van populaties: we streven dan niet naar meer soorten maar naar meer exemplaren van de bestaande soorten. Dat kan, maar dan zou het goed zijn als ecologen concreet zouden uitwerken naar welke aantallen we moeten streven op welke plaats, en wanneer de doelen zijn gehaald.
De tweede mogelijke reden is dat we bepaalde planten of dieren voor uitsterven willen behoeden. Neem bijvoorbeeld de grutto. Als het moderne graslandbeheer door veehouders minder aantrekkelijk is voor de grutto, die nu juist daar en nu juist in Nederland zijn domicilie kiest – dàn moeten we zorgen voor meer ‘ouderwets’ grasland, hetzij bij veehouders of elders. Dan zijn we echter niet bezig met het beschermen van ‘de biodiversiteit’ maar van een vogel die op ons is aangewezen – een heel goed doel dat echter meer is geholpen met een gerichte aanpak dan met een algemeen streven naar meer diversiteit overal-en-altijd.

– Hol en onverzadigbaar
Biodiversiteit is prima als mondiaal streefbeeld, maar waardeloos als algemeen geldige norm voor onze omgang met natuur en milieu. Op sommige oppervlaktes reduceren we de diversiteit om er voedsel te kunnen produceren, op andere wordt ze vrijwel geruïneerd om er wegen, huizen en fabrieken te kunnen bouwen. Dus koesteren we op weer andere plekken de aanwezige organismen met extra aandacht omdat we in dit kleine land toch graag alle soorten planten en dieren voor de toekomst willen behouden ook al wonen we er nu met twee keer zoveel mensen als tachtig jaar geleden.
Duurzaamheid nastreven: ik ben ervoor. Natuur beschermen: ik vind het hard nodig. Soorten niet laten verdwijnen: ik vind het zinvol en het is ook nog SMART[3]. Maar laten we afscheid nemen van het begrip ‘biodiversiteit’ als recept tegen alle kwalen. Zonder heldere vermelding van plaats en schaal is het hol en onverzadigbaar.

[1] Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden; ministerie van LNV, september 2018

[2] ‘Biodiversiteit is de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen.’

[3] Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden.

Het geheim van de boom met het vaderlandse hekje

In mijn vorige post schreef ik over de vergankelijkheid van landschapsinformatie. Het is leuk en belangrijk maar of je nou borden neerzet of een app aanbiedt – het staat of valt allemaal met het onderhoud en dat spreekt niet vanzelf. Het ging toen over infozuilen met informatie over het omringende landschap. Onlangs stuitte ik op een ander voorbeeld. Een boom met een hekje.

Aan de voet van de Spaarndammerdijk tussen Halfweg en Spaarndam staat een eenzame es. Je ziet hem al vanuit de verte. Kom je dichterbij, dan blijkt om de stam van die boom een keurig klassiek ogend hekje te staan: drie paaltjes met rood-wit-blauw geschilderde latten ertussen, en oranje knoppen erop. Die boom heeft blijkbaar een speciale betekenis, iets met het vaderland. Maar welke? Nadat ik er onlangs een paar keer omheen was gelopen, heb ik die vraag maar eens op Facebook gezet. Dat leidde tot een mooi verhaal, met dank aan collega Hans Bothe, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de Historische Werkgroep Spaarndam en op de achtergrond het Haarlems Dagblad en onze nationale natuuronderwijzer Jac P. Thijsse.

Deze boom blijkt hier te zijn geplant op 1 april 1992, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude, het recreatieschap Spaarnwoude en een monumentencommissie. Het was de opvolger van een eeuwenoude soortgenoot die tweeëntwintig jaar en verschillende mislukte herplantingen eerder, in 1970, door de bliksem was geveld. Over die voorganger schreef Thijsse in het Haarlems Dagblad van 10 maart 1941: ‘Ik ken die boom nu al zestig jaar en steeds was hij zo versierd [met dat hekje, mdg.]. Naar ik meen door de goede zorgen van het hoogheemraadschap Rijnland.’ Het bleek de laatst overgeblevene, the last tree standing zeg maar, van een rijtje essen dat op deze plek in het midden van de achttiende eeuw was geplant. Daarmee werd een slag herdacht die de watergeuzen wéér twee eeuwen eerder aan de Spanjaard hadden toegebracht.

We zijn dan inmiddels in 1573. De Spaarndammerdijk was een verbindingslijn tussen Amsterdam, dat onder het Spaanse gezag viel, en het vrijgevochten Haarlem. Daar reden dus op een vrieskoude dag in dat jaar zo’n honderdvijftig Spaanse lansiers, ruiters met speren, om te gaan helpen bij de belegering van Haarlem. Ze maakten met hun paarden op de halfbevroren zompige ondergrond geen kans tegen een groepje van achttien watergeuzen, dat met musketten en lange speren onder leiding van ene Kees ’t Hoen vanuit twee bootjes de dijk op klom. Geen Spanjaard kon het navertellen, volgens de overlevering.

Ik vind het leuk om zoiets te weten te komen – het liefst op de plek zelf – en ik denk dat ik niet de enige ben. Je gaat anders naar zo’n boom kijken. Je hebt heel even verbinding met het verleden: een beetje besef van de voetstappen die op de grond liggen waar je overheen loopt. Eigenlijk zou er een bescheiden bordje aan dat hek gespijkerd moeten worden, met een korte weergave van dit verhaal. Een app mag natuurlijk ook, maar een eenvoudig bordje zou al heel wat zijn.

In 2023 is het 450 jaar geleden dat die Spanjaarden in de pan werden gehakt. Over vijf jaar dus. Dat geeft de betrokken overheden – hoogheemraadschap, gemeente, recreatieschap – ruim de tijd om te zorgen dat zo’n bordje er komt. Ik wil wel helpen met de tekst, en ik verheug me nu al op de feestelijke onthulling, met een glaasje oranjebitter.

Vriendschap en pr hebben voeding nodig

Niet zo lang geleden stuitte ik tijdens een wandeling langs het Alkmaardermeer op een relikwie uit mijn eigen verleden: het restant van een infozuiltje, onderdeel van een mooi project aan het eind van de vorige eeuw, waarvan de vergankelijkheid zich hier onontkoombaar aan me opdrong.

Als communicatiespecialist heb ik altijd geloofd in het geven van relevante en betrouwbare informatie, en in een betrokken doelgroep om die informatie te laten landen. Niet steeds roepen dat je van alles goed doet, maar proberen de mensen dichter bij je te krijgen om het begrip voor jouw manier van werken te laten groeien. Zelf heb ik als tiener een keer vijf weken vakantiewerk gedaan bij Heineken: lagertanks schoonmaken in het ijskoude hart van de brouwerij. Ik zag hoe de productie werkte, ik hoorde het eindeloze gerammel van de flesjes in de bottelarij, kreeg respect voor de collega’s die er het hele jaar door hun brood verdienden. Nu, veertig jaar later, pak ik nog steeds het flesje met het Heinekenetiket als je twee verschillende voor me zet. Door dat gevoel van vertrouwdheid dat toen ontstond.

Toen ik communicatieman was van een landbouworganisatie, wilde ik een organisatieweekblad op journalistieke leest, dat zich met relevante en betrouwbare informatie tot vriend van de leden zou maken. Als je een keer hun vriend bent zullen ze sneller begrip hebben voor je doen en laten, zei ik, en zich minder vaak afvragen waarom ze zoveel contributie moeten betalen. En dat gaat je niet lukken als je iedere week alleen maar toetert over de behaalde successen, want daar raken de leden snel immuun voor en dat komt de vriendschap niet ten goede.

Ook als het ging om communicatie naar de samenleving wilde ik mikken op dat gevoel van betrokkenheid en vriendschap – een gevoel dat vroeger veel sterker was, toen iedereen wel een familielid had in of in de buurt van de landbouw. Als dat er is willen de mensen vanzelf meer weten, en dan landt jouw informatie ook beter. Die wisselwerking tussen betrokkenheid en nieuwsgierigheid zou in mijn ogen veel meer doen voor boeren en tuinders dan de dure campagnes met leuzen en logo’s, waar in LTO-verband tonnen voor werden gevoteerd.

Mijn visie werd lang niet door iedereen gedeeld. Snelle zichtbaarheid, ook voor de betalende achterban, was nu eenmaal belangrijk, terwijl investeren in vriendschap een kwestie van lange adem is. Maar bij één gelegenheid had ik succes; ik durf te zeggen op eigen kracht want mijn baas liet mij mijn voorstel ter waarde van drie ton in guldens zelf in het bestuur verdedigen. Dat deed hij meestal als hij de gelegenheid wilde houden om zijn handen er tijdig vanaf te trekken. Na een vurig betoog kwam ik met die drie ton naar buiten. Ik denk er nog altijd met plezier aan terug, zelfs als dat komt doordat ik op een wandeling een roestig en vervallen overblijfsel aantref van dat succes-van-ooit.

De gelegenheid was het honderdvijftigjarig bestaan van de Westelijke Land- en Tuinbouworganisatie WLTO (en haar voorgangers) in 1997. Dan moet je iets bijzonders doen, en daarvoor kan dan ook budget worden vrijgemaakt. Ik maakte samen met mijn collega’s het plan om herkenbare infozuiltjes te plaatsen in het agrarisch landschap van de provincies Noord- en Zuid-Holland, het werkgebied van de WLTO. Dat was op zichzelf niet bijzonder, want pr-objecten op het platteland waren eerder vertoond. Vooral grote lijsten waren populair, zonder schilderij zodat je er het landschap doorheen kon zien en dan met de tekst eronder: ‘Dit landschap wordt u aangeboden door boeren en tuinders’. Maar déze zuiltjes moesten anders worden. Ze zouden op plekken moeten staan waar veel wandelaars en fietsers langskomen, die er even kunnen stoppen om een boterham te eten. Ze zouden op een perspex ‘tafelblad’ vertellen wat er te zien was op die plaats, in dat specifieke landschap. Honderd verschillende zuiltjes, met ieder een eigen tekst bij een schets van het landschap zoals dat daar te zien was – informatief en zonder borstklopperij. Wat is dat voor schuur, welke gewassen worden hier verbouwd, welke vogels broeden hier, wat doet die molen of die dijk daar?

Het land gaat dan leven, was de gedachte. Je fietst niet meer voorbij een plaatje, maar erin. Je gaat er iets van snappen en voelen. En, belangrijk, dat gebeurt op een moment waarop je er open voor staat. In je vrije tijd, uitrustend van het fietsen, met je kop koffie zo uit de thermoskan. De afdelingen van de WLTO zouden als aangever fungeren en de helft betalen. Zij kenden de beste plekjes, en ze zouden de zuilen kunnen bijhouden als ze eenmaal geleverd waren door de WLTO, die de andere helft zou betalen. Zo zou het project worden verankerd in de grass roots.

En zo is het ook grotendeels gebeurd, in 1997. Het project kreeg een eigen naam en logo (Kijk op het Land), de afdelingen reageerden enthousiast, zie het verhaal in de jubileumuitgave van het ledenblad Westweek. De zuiltjes kwamen er, en ze staan er op veel plaatsen nog steeds. Mooier kon het niet – op één ding na[1], en als je vandaag bij zo’n zuiltje stil blijft staan, krijg je wel een idee wat dat is. Het perspex is na 21 jaar verweerd (of verdwenen, zoals langs mijn wandelroute), de teksten zijn soms moeilijk leesbaar of niet meer toepasselijk, de poten vaak verroest en als afzender wordt de naam vermeld van een organisatie die al 13 jaar niet meer bestaat. WLTO is inmiddels LTO Noord geworden.

Zorg en inbedding, dat is wat er aan heeft ontbroken. Coaching van de afdelingen door de organisatie: staan die zuiltjes er nog, wordt er goed voor gezorgd, moet de tekst worden aangepast, moet er een QR-code op of een andere aansluiting met deze of gene app? Aandacht in het organisatieblad: regelmatig een zuil met een verhaal van een fietser of wandelaar. Samenwerking met de VVV om agrarische fietstochten uit te zetten. En de opdracht voor de verantwoordelijke pr-persoon om ieder jaar een nieuw evenement rond de zuiltjes te organiseren. Het zijn relatief kleine investeringen nadat één keer het kostbare, omvangrijke startschot is gelost. De betrokkenheid en vriendschap van wandelaars en fietsers had er nog jarenlang mee gevoed kunnen worden, en dat mogen we van het zuiltje op de foto niet verwachten. Want net als vriendschap heeft pr ook voeding en continuïteit nodig.

[1] Eigenlijk op twee dingen na: een vriend voor wie ik enthousiast mijn plannen ontvouwde, fronste zijn wenkbrauwen en wees me op de trend dat er almaar meer zuilen en zuiltjes in het landschap verschenen, waardoor het er niet mooier op werd. Ik snapte wel wat hij bedoelde, maar voor mij was het hemd nader dan de rok, wat je overigens in het communicatievak vaker ziet: eerst die burgers voor ons winnen, daarna nadenken over eventuele landschapsvervuiling. Als ik tegenwoordig langs het zoveelste knooppunt van wandel- en fietsroutes kom, voel ik wel wat meer sympathie voor zijn standpunt dan destijds.

Verkiezingsposters voor de gemeenteraad: een tombola met uitwisselbare leuzen

De leuzen waarmee partijen de gemeenteraadsverkiezingen ingaan hebben bijna nooit iets met de gemeente te maken. Dertig procent van de verkiezingsposters draagt zelfs helemaal geen leus. De andere zeventig gaan in overgrote meerderheid over vage, algemene wenselijkheden, liet ik in mijn vorige blogpost zien, maar niet over wat er in de gemeente moet gebeuren. Kan je dan in die politieke tegelwijsheden nog wel enig onderscheid ontdekken, zodat je tenminste op een soort levensbeschouwelijke basis een keus kan maken? Nee, blijkt bij nadere studie. De partijen doen met zoetsappige motto’s hun best om ons te vriend te houden, maar met dat geplease ontnemen ze ons elk houvast om een keus te kunnen maken.

Natuurlijk zijn er wel thema’s te ontdekken in die zoetemelkse pap. Het is alleen een bijna onmogelijke opdracht om die met politieke voorkeuren te verbinden. ‘Verbinden’, goed voorbeeld. Een nogal ongrijpbaar begrip, dat wel iets van warmte en gezamenlijkheid suggereert. Je zou het bij de christelijke partijen verwachten, maar zo eenvoudig is het niet: we treffen inderdaad afdelingen van het CDA (Heemstede) en de Christenunie (Huizen) die willen ‘verbinden’, maar ook de VVD in Stadskanaal (Verbinden? Gewoon. Doen.) ziet er meerwaarde in. De liberalen in Etten-Leur willen graag kracht putten uit verbinding (Verbinden maakt sterk) en zitten daarmee op één lijn met Lokaal Tilburg, iets verderop: Sterk en verbindend! En vergeet tenslotte de PvdA niet, die in Stadskanaal en Borger-Odoorn verbindend wil zijn. In die laatste gemeente deelt ze dat streven dan weer met Gemeentebelangen, dat zichzelf verbindend in de samenleving vindt.

– Samen aan de slag!
Een waardeloos kompas dus, dit begrip ‘verbinden’: iedereen wil het. Hetzelfde lijkt op het eerste gezicht te gelden voor het woord ‘samen’, ook deze verkiezingen weer een topper. In onze steekproef komen we het 35 keer tegen, in alle politieke windrichtingen. Alle richtingen? Nee, er is één partij die geen beroep doet op het samengevoel*: niet helemaal verbazend de VVD, die toch vooral vertrouwt op het particulier initiatief. Daar schemert dus een greintje politiek onderscheid door de leuzencultuur heen. Voor het overige is het samen voor en samen na: de PvdA wil acht keer samen, de Christenunie zes keer, het CDA vijf keer, partijen die onder de naam Gemeentebelangen opereren vier keer en daarnaast is er nog een hele staalkaart aan lokalen die claimen dat ze het niet alleen kunnen. Waaronder, opvallend, Liberaal Wassenaar. Het kàn dus wel, rechts van het midden. We doen een greep: Heemstede maken we samen (PvdA), Leef! Samen! (CDA Heiloo), Samen aan de slag! (Dorpslijst Afferden), Samen Leven (CU/SGP Westland), Samen maken wij een vuist (verrassend: Democratische liberalen Wassenaar) en Gewoon samen doen van Burgerbelangen Enschede, dat daarmee de standaardleus van de VVD (Gewoon doen!) nèt die extra dimensie geeft.

– Naast elkaar, voor elkaar… door elkaar
Het woord ‘elkaar’ is de topscorer in deze steekproef, met 36 verschillende posters: met elkaar, naar elkaar, en vooral voor elkaar. Dat laatste kan ‘voor de ander’ betekenen maar ook ‘met succes volbracht’, de betekenis die een enkele dissidente afdeling van D66 op het oog lijkt te hebben. Die partij doet in deze verkiezingen eigenlijk niet aan leuzen, maar hier en daar zie je toch de claim dat ze ‘goed onderwijs’ en, met enige zelfoverschatting, ‘een goed klimaat’ voor elkaar kan krijgen. De SP lijkt de keus wat de betekenis betreft aan ons over te laten met zijn vaste leus Voor elkaar! Ook hier zien we weer dat partijen die het ideologisch toch moeilijk met elkaar kunnen vinden, met dezelfde leus een beroep op de kiezer doen. Naast de SP komt de Christenunie in Baarn ermee op de proppen (Naast elkaar, voor elkaar) en samen met de SGP in Den Haag en Kraggenburg (Hart voor elkaar). In Leiden hangen socialisten en de christenen zelfs gebroederlijk naast elkaar met exact dezelfde leus Voor elkaar! Ook de PvdA mengt zich in de strijd met Voor elkaar, met elkaar in Zandvoort en Enschede – precies dezelfde leus die het CDA gebruikt in Krimpenerwaard en Castricum. Laatstgenoemde partij heeft hier en daar nog een variant, maar je zou van christendemocraten eigenlijk meer verwachten. Maastricht, toch vanouds een CDA-stad, is wat dat betreft misschien symbolisch: De goddeloze SP roept Voor jezelf, voor Maastricht, voor elkaar, de Maastrichtse Volkspartij komt met de toch wel heel christelijke variant Omzien naar elkaar en het CDA ter plaatse laat zonder leus het thema van de naastenliefde geheel onberoerd.

– De lokale troef
Een subtopper onder de steekwoorden is ‘Lokaal’; ik noemde het al in mijn vorige post. We komen tot 26 keer in onze steekproef, steeds met als functie om de betrokkenheid bij de gemeentelijke politiek te benadrukken. Meestal spelen plaatselijke partijen deze troefkaart, zoals het Tilburgse Burgerinitiatief: Stem plaatselijk, NIET landelijk! Een enkele keer doet ook een landelijke partij als de VVD er een gooi mee naar de kiezersgunst. In Aa en Hunze bijvoorbeeld met Gewoon. Lokaal. En in Stichtse Vecht, waar de liberalen van twee walletjes proberen te eten: Lokale kennis, landelijke kracht! In Alphen aan de Rijn steken twee plaatselijke partijen elkaar naar de kroon met hun lokale betrokkenheid: Rijn Gouwe Lokaal met Stem Lokaal! en Nieuw Elan met Voor lokale daadkracht. Dat laatste woord, daadkracht, zie je ook vaker: Visie en daadkracht (Liberale Partij Maastricht), Betrokken en daadkrachtig (Voerendaal Actief), zelfs Menselijk, betrokken en daadkrachtig (Enschede Anders) en – de kwaliteit ligt in de beperking – Daadkracht! van het Algemeen Ouderenverbond in Schiedam.

– Hart voor je plaats
Een wat meer emotionele variant op de lokale claim is de leus Hart voor [gemeente]. We komen deze 18 keer tegen, als we de partijnamen meetellen en dat zijn er toch alweer zes: Hart voor Katwijk, Hart voor Haarlem, Hart voor Bussum, Naarden en Muiden en zo verder tot en met bij de volgende verkiezingen Hart voor Den Haag, zoals de Groep de Mos zich dan zal noemen. Kijken we naar de leuzen dan komen we, niet onverwacht, ook de hart-claim in alle politieke hoeken tegen: van SGP (1x) en CU (3x) via PvdA (2x) en VVD (1x) naar een clustertje plaatselijke partijen. Ook hier lijkt de boodschap ‘Wij zijn tenminste echt betrokken bij onze gemeente’ of, in het geval van een landelijke partij ‘Denk maar niet dat wij alleen met ons hoofd in Den Haag zitten’. Een enkele keer wordt voor dat doel ook het gebruik van streektaal ingezet: Nao veure Mestreech (PvdA), Vaan en veur Mestreech (Partij voor een Veilig Maastricht), Oan ‘e wind sile (VVD De Friese Meren), Voor jezelf, voor elkaar, voor Knoal (SP Stadskanaal). Natuurlijk is er een vrij omvangrijke restcategorie. Daarin vinden we leuzen als Anders en beter!, Jouw belangen!, Nieuwe energie! of Omdat het werkt! Ze passen niet in een hokje, behalve dan in het grote hok van leuzen waar we helemaal niets mee opschieten als we een keus willen maken tussen de partijen.

– Ophouden met pleasen
We zagen al dat er vrijwel geen leus te ontdekken viel met echte politieke inhoud. En nu zien we ook dat de leuzen waarvoor wèl is gekozen, in grote meerderheid volstrekt willekeurig over de diverse partijen zijn verdeeld: bedoeld om te pleasen en, zo lijkt het, om vooral niks verkeerd te zeggen. Er zou een tombola gehouden kunnen zijn waarbij ze at random over het land en de partijen werden uitgestrooid. Voor elkaar, met elkaar, samen, hart voor de stad, verbonden en betrokken daadkracht – wat maakt het uit, kies maar een partij en zet je kruisje!
Tegen de plaatselijke partijtijgers kan ik eigenlijk maar een ding zeggen: houd op met pleasen, stop met roeren in die kleurloze leuzensoep. Roep iets wat je tot stand wil brengen. En als je dan echt geen politieke leus aandurft, vraag dan eens een communicatiespecialist – een student misschien? – om je te helpen zoeken naar een leus die bij jouw partij hoort en niet bij een andere.

* Partijen als Groen Links en D66 tellen we hier niet mee omdat die in het geheel geen leuzen hebben op de gemeentelijke verkiezingsborden.