Alle berichten van martijn

One Health

Hoe in samenhang te beslissen over de gezondheid van mensen en dieren, zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden, 2015

tekst, eindredactie en productie

Gemeenteraadsverkiezingen: stel iets voor met een leus die iets voorstelt!

‘Apolitieke slogans doen het goed,’ schreef ik in mijn weblog van 19 maart 2014. Ik had studie gemaakt van de leuzen van de partijen in de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar. Veel is er niet veranderd, kan ik zeggen nu ik dat onderzoekje nog eens over heb gedaan. Destijds kreeg ik veel leuke reacties en foto’s van mensen die mijn ‘database’ wilden helpen uitbreiden. Deze keer heb ik er echt om gevraagd. Het moest een stukje citizen science worden. Dat is heel aardig gelukt, maar die slogans – daar valt nog een wereld te winnen.

In Bloemendaal plakte het CDA verschillende eigen voorstellen op een standaardposter. Je ziet de partijtijgers op een laddertje staan met een rol plakband: betrokkenheid! Iets concreter had nog wel gekund, maar toch een goed idee.

Verkiezingsposters zijn een belangrijke manier om aan de kiezers duidelijk te maken waar je als partij heen wil. Je hebt het plaatselijke sufferdje en misschien de stemwijzer als kanalen, maar aan die verkiezingsborden langs de weg valt voor een gewone burger die wel eens buiten komt niet te ontkomen. Ik deed dus een beroep op mijn netwerk: ‘Stuur mij je foto van een verkiezingsbord!’. Eens kijken of we met citizen data een mooie steekproef bij elkaar konden harken. Er kwamen inzendingen uit een kleine 65 gemeentes, met in totaal 580 posters. Dank daarvoor, aan alle inzenders! De Randstad was flink oververtegenwoordigd maar vooruit, daar wonen en werken ook meer mensen en het was tenslotte maar een verkenning.
Eén conclusie kon ik al vrij snel trekken. In overgrote meerderheid bleken de verkiezingsposters helemaal niets te melden over plaatselijke kwesties. Je kon turven: wel of geen leus op de poster, wel of niet een verwijzing naar de plaats zoals het woord ‘lokaal’ of de plaatsnaam. Maar het aantal posters met een leus over een politieke kwestie bleek te verwaarlozen. Ik kwam tot 27, dat is 4,5% en dan tel ik toch een beetje vage leuzen mee als ‘Meer geld voor mantelzorgers’ en ‘Sneller bouwen voor jong en oud’.

– Van belangstelling voor plaatselijke politiek blijkt niets
50Plus en de PVV maken het bont, maar ook grotere partijen zoals D66, Groen Links. Zij vinden hun naam blijkbaar genoeg en zetten verder niets op hun posters. De partijnaam zal het werk wel doen, dachten ze misschien: Krol, Wilders, Pechtold en Klaver halen de stemmen wel binnen. Belangstelling voor de plaatselijke politiek blijkt er niet uit. Een variant op die schreeuwende leegte treffen we bij de SP. Deze partij, die er toch prat op gaat geworteld te zijn in de wijken en de buurten, heeft werkelijk niet één leus voortgebracht die daar blijk van geeft. Ze volstaat bijna overal met ‘Voor elkaar!’, een enkele keer aangevuld met coördinaten: ‘Voor jezelf, voor elkaar, voor Enschede!’.
De Christenunie gaat weer een stap verder. Hier is de tekst overgelaten aan de plaatselijke besturen. Dat leverde een keur aan inspirerende leuzen op zonder één syllabe over gemeentelijke problemen of oplossingen. ‘Samen waardevol’, ‘Kies voor de ander’ en ‘Geef geloof een stem’ bijvoorbeeld. Ook het CDA zit op deze lijn, met soortgelijke leuzen, maar in die partij wordt toch vaker naar een plaatselijke verwijzing gegrepen. Dat is dan meestal de plaatsnaam – toch een soort erkenning dàt men in een gemeentelijke omgeving opereert. De uitzondering, niet alleen binnen het CDA maar binnen het hele verkiezingscircus, was het CDA in Amsterdam met een keiharde politieke wens: ‘Stop erfpacht!’. Het kan dus wel.

– ‘Aan de slag voor Zwartewaterland!’
In dit armoedige spectrum is dus het noemen van de plaatsnaam een van de aanwijzingen die we kunnen krijgen dat een partij weet dat ze met gemeentelijke verkiezingen bezig is. Naast het CDA zie je dat veel bij PvdA en VVD. Beide hebben een soort landelijk motto waaraan het plaatselijk bestuur een leus mag toevoegen. Bij de VVD is het ‘Gewoon doen’, waarschijnlijk om de associatie op te roepen met de premier van die partij die alweer zo’n acht jaar het regeringsbeleid ‘doet’. Daarachter volgt dan een verwijzing naar de plaats, zoals ‘Aan de slag voor Zwartewaterland!’ En bij de sociaaldemocraten is het landelijke thema ‘zekerheid’ soms op wat wanhopige wijze vervlochten met de plaatselijke creativiteit, vaak inclusief plaatsnaam: ‘Zeker zijn van een sociaal Elburg’ of ‘Zeker zijn van Utrecht voor iedereen’.
Een tweede veelvoorkomende aanpak is het beroep op de lokale trots. Vooral lokale partijen gebruiken hun leus vaak om zich af te zetten tegen de landelijke partijen, die niet in stad of dorp geworteld zijn: ‘Vertrouwd, sociaal, lokaal’ (Burgerbelangen Simpelveld, Harlinger Belang) of ‘Aanspreekbaar, betrouwbaar, consistent’ (Lokaal Wassenaar). Andere lokale partijen spelen expliciet de plaatselijke kaart, zoals in ‘Hart voor Den Haag’ (Groep de Mos), ‘Een Schiedam van, voor en door Schiedammers’ (SLV) en ‘Thuis in Tilburg’ (Optimistisch Politiek Actief). Ook de landelijke partijen noemen vaak de plaatsnaam als signaal dat ze toch echt wel weten waar ze aan het plakken zijn.

-Angst en schaapachtigheid regeren
Kort en goed: bijna driekwart van de verkiezingsposters heeft niets te zeggen dat met de gemeente te maken heeft. En ruim een kwart zegt wel iets over de gemeente maar in de meeste gevallen is dat alleen de naam. Hoe komt het nu dat al die partijen, wanneer ze aandacht kunnen krijgen voor iets wat ze willen, die kans domweg voorbij laten gaan? Angst, schaapachtigheid of een combinatie van die twee, denk ik. Angst: wanneer je iets roept waar je voor of tegen bent, kan je kiezers verliezen die daar anders over denken. Schaapachtigheid: het partijbestuur stuurt vanuit het hoofdkwartier een stapel posters of een oekaze over de leus die dit jaar aan de beurt is, en dat doe je dan maar – als bij toverslag de plaatselijke kwesties vergetend waar je je sterk voor dacht te maken. Begrijpelijk misschien, maar dom en jammer. Dom omdat je zonder heldere leus weliswaar niemand afstaat maar ook niemand aantrekt. Jammer omdat je voedsel geeft aan het idee dat gemeentepolitiek niks voorstelt – vriendjespolitiek! – en dat de partijen toch allemaal hetzelfde zijn.

– Doe een voorstel!
Er valt dus nog een wereld te winnen aan duidelijkheid, èn aan kiezers. Partijafdelingen, kom de volgende keer met een standpunt. Of met drie of vijf voorstellen, op elke poster een andere. Het kan (zie foto)! Zeg dat je iets niet wil, of liever nog dat je iets wel wil! Doe een voorstel. Je maakt de verkiezingen er interessanter mee, en je schraagt de gedachte dat de plaatselijke politiek eh… iets voorstelt.

Volgende keer: wat willen de partijen dan wèl zeggen?

Leuzen die iets voorstellen

  • ‘Wilt u ook het Oude Dorp en de Poel nieuw leven inblazen? Bij ons staat dat hoog op de agenda’ (Burgerbelangen Amstelveen)
  • ‘Geen gevaarlijke stoffen over het spoor’ (Beter voor Dordt)
  • ‘Zandvoort moet Zandvoort blijven’ (VVD)
  • ‘Enschede weer van ons’ (EPVV)
  • ‘Boodschappen op zondag? Doen! (VVD Zeewolde)
  • ‘Kies PvdD en word verlost van ongeadresseerd drukwerk en ongewilde huis-aan-huisbladen’ (PvdD Utrecht)
  • ‘Stop erfpacht’ (CDA Amsterdam)
  • ‘Zaterdag = koopzondag’ (SGP Gouda)

Facts will be facts

Het vertrouwen in de wetenschap loopt terug. Je ziet het overal, en zeker in de wereld van voeding en gezondheid waar het routine is om uitingen van onderzoekers direct in twijfel te trekken. Dat is verontrustend want er wordt tegenwoordig veel en fel gediscussieerd, en daarbij zou je het liefst een beetje houvast hebben aan kennis en inzichten die door alle partijen worden gedeeld.

Ook de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) is ongerust, bleek vorige week uit een bijdrage van de voorzitter en vice-voorzitter in de NRC. ‘We hebben meer dan ooit wetenschappers nodig als hoeders van feitelijkheid, en docenten als ambassadeurs van rationaliteit,’ schreven José van Dijck en Wim van Saarloos. Dat leek me moeilijk te bestrijden. Als er zo hard wordt getwist over de verklaring van feiten, moeten die niet zelf ook ter discussie staan, anders kom je nooit ergens. En om in zulke feiten te voorzien hebben we de wetenschap, dat leek me ook buiten kijf te staan.

Maar ik had buiten de waard gerekend. De reacties kwamen snel. Op Foodlog haalde hoofdredacteur Dick Veerman fel uit: beide kopstukken zijn schuldig aan een ‘simplificerende weergave’, een ‘boertige’ en ‘schrikbarende’ verdediging van de wetenschap ‘op zijn allersmalst’. En, als klap op de vuurpijl: ze hadden moeten weten dat het geloof in objectieve feiten en waarheden berust op een misverstand dat reeds lang uit de wereld is geholpen.

Wat mij vooral aan deze gedachtewisseling opviel was hoe gemakkelijk de deelnemers, óók de beide aanstichters van deze discussieronde, de belangrijke begrippen door elkaar halen en hoe moeilijk, of eigenlijk gewoon onmogelijk, het daardoor wordt een vruchtbare discussie te voeren. Eigenlijk zou iedereen het verschil moeten weten tussen feiten, kennis, meningen en ideeën. De discussianten doen echter zonder gêne alsof ze daar niet van op de hoogte zijn. En dan is het is precies zoals met kennis: als je niet op basis van dezelfde definities van begrippen discussieert kan je doorgaan tot je een ons weegt maar tot een groeiend gezamenlijk inzicht kom je nooit.

Het voorzittersduo bijvoorbeeld, pleit ervoor dat iedereen de wetenschap erkent als ‘hoeder van gezamenlijke feiten’, maar geeft vervolgens voorbeelden waarin niet de feiten worden betwist maar de interpretatie daarvan: de theorieën die ze moeten verklaren. Daarover mag je natuurlijk juist wèl van mening verschillen. Sterker nog, de discussie over hoe je feiten moet verklaren is een van de wezenskenmerken van wetenschap. Die kan leiden tot vervangen van de theorie, tot het aanpassen ervan, of tot het voortbestaan van verschillende kampen, maar een theorie wordt nooit opeens een feit.

Van Dijck en Van Saarloos beklagen zich erover dat de komende Amerikaanse president Trump ‘de empirische bewijzen’ in twijfel trekt ‘die grote aantallen onderzoekers hebben geleverd over de oorzaak van het smelten van ijskappen en de verhoging van de zeespiegel.’ Zij menen dus dat niet alleen dat het opwarmen van de aarde een feit is – daar twijfelen weinigen meer aan – maar ook dat dat geldt voor de oorzaak die veel onderzoekers daarvoor aandragen: het broeikaseffect. Daarbij gaat het echter niet om een feit maar om een verklarende theorie. Die krijgt steun van een grote meerderheid onder onderzoekers. Je kan dus zeggen ‘laten we daar dan maar naar handelen’, maar je kan haar op grond van die meerderheid niet zomaar even tot feitelijke waarheid promoveren.

Dat brengt me bij Veerman. Terwijl Van Dale zegt dat een feit datgene is ‘wat werkelijk is of heeft plaatsgehad, [een] gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid of het geschied-zijn vaststaat’, brengt de Foodlogbaas daar unverfrohren tegenin dat feiten niet objectief zijn: ze zijn ‘afhankelijk van belangen en interesses, weten moderne mensen’. Veerman citeert ook Kant, volgens wie ‘waarheid een resultaat is van onze manier van naar de wereld kijken’. Zoveel mensen, zoveel waarheden dus. Nou, daar ben je als onderzoeker mooi klaar mee. Ik ben maar een klein mannetje in vergelijking met Kant en ook geen filosoof, maar wat ik wel meen te weten is dat onderzoek met de uitgangspunten van Veerman en zijn interpretatie van Kant onmogelijk valt te bedrijven. Het heeft dan namelijk geen zin meer om feiten waar te nemen, om uit die waarnemingen een theorie te vormen, om hypotheses te formuleren waarmee je die theorie al of niet kan verwerpen en om die hypotheses in de werkelijkheid te testen. Als je ieder feit naar hartenlust door een ander mag vervangen, breekt het werk je bij de handen af. En trouwens, als je al niet nieuwsgierig bent naar objectiveerbare, onderling deelbare kennis hoef je aan die activiteit sowieso niet te beginnen. Einde onderzoek.

Een stelling die tot deze conclusie leidt is moeilijk te verdedigen, maar Veerman lijkt het toch te proberen en dat kan hij omdat ook hij begrippen door elkaar haalt. Als hij voorbeelden geeft van de invloed van belangen, blijkt die invloed geen betrekking te hebben op feiten maar op meningen, interpretaties of toepassingen: ‘Nestlé vindt,’ tegenstanders ‘vinden’, ‘voorstanders van vers zeggen dat het gebruik van wetenschap voortkomt uit het belang van Nestlé’. En psycholoog Dan Kahan, die Veerman in een comment aanhaalt uit de NRC, toont aan dat kennis vaak selectief wordt gebruikt, ook door wetenschappers, om deze of gene mening te ondersteunen. Nergens is een praktijkvoorbeeld te vinden van feiten die zèlf veranderen onder invloed van belangen, en dat kan ook niet want het begrip feit zelf zou zich er heftig tegen verzetten.

Mijn conclusie: als er iets desastreus is voor het streven naar vooruitgang in onze gezamenlijke kennis, is het de bewering dat feiten niet objectief zijn en afhankelijk van belangen. Ieder empirisch georiënteerd onderzoek wordt er bij voorbaat mee de bodem in geslagen want er is altijd wel een partij te vinden die ‘er belang bij had’. En het is vernietigend voor dat kleine beetje gemeenschappelijkheid dat in deze gepolariseerde tijd juist extra bescherming verdient omdat het tot effectieve communicatie leidt, in de wetenschap en daarbuiten: consensus over begrippen en definities.

De presidentsverkiezingen in de VS: hoezo miskleun van de peilingen?

Talrijk zijn de verwijten aan media en opiniepeilers na de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Ze zouden er helemaal naast hebben gezeten. Maar waar zaten ze eigenlijk naast?

Media genoeg met klinkende namen, die voor de verkiezingen onbeschaamd hun partijdigheid lieten zien. De New York Times, die nog altijd de beste krant van de Verenigde Staten heet te zijn, was zonder gêne aan het campaignen tegen Donald Trump. In Nederland deed NRC Handelsblad hetzelfde. Dat valt die kranten – en nog veel meer media met minder verheven reputaties – ernstig te verwijten. We mogen van ze verwachten dat ze ons goed informeren om zelf onze voorkeur te kunnen bepalen; niet dat ze ons proberen mee te sleuren in hun eigen vooringenomenheid.

Het werd ze echter nauwelijks aangerekend. Des te luider klonk achteraf de kritiek dat ze met hun voorspellingen mis hadden gekleund, om met vakblad Communicatie te spreken. Dat blad kwam zelfs met een onderzoeker die spreekt van ‘fout gebruik van data’. Het citeert ook de New York Times die op zijn beurt klaagt dat ‘de data ons hebben teleurgesteld’.

Maar ik denk dat de teleurstelling uit iets anders voorkomt. Ik heb natuurlijk lang niet alle berichten gezien maar door de voorspellingen die ik wel zag voel ik me in het geheel niet verkeerd voorgelicht. Je weet dat een peiling geen zekerheid biedt. Je gezond verstand zegt dat, en ook de onderzoekbureaus benadrukken het. Ze meten wat de ondervraagden zeggen dat ze gaan doen. Daar zitten dus al drie onzekerheden in: 1) de ondervraagden zijn niet altijd een exacte afspiegeling zijn van het kiezersvolk, 2) ze doen niet altijd wat ze zeggen en 3) ze kunnen van gedachte veranderen. Een factor die het extra moeilijk maakt is dat de president niet rechtstreeks wordt gekozen maar door kiesmannen per staat. Je moet dus als voorspeller niet één keer, maar vijftig keer het dubbeltje de goede kant op laten vallen (in twee staten tegengesteld de verkeerde kant op hoeft elkaar niet op te heffen want ze kunnen heel verschillende aantallen kiesmannen hebben).

Het moet dus niet zo moeilijk te begrijpen zijn dat voorspellen van de uitkomst een delicaat klusje is. Bovendien, en dat is ook niet bepaald rocket science, gaat het om een keuze met maar twee mogelijkheden die bij elke presidentsverkiezing zo’n beetje rond de 50-50 schommelen. Van de honderd kiezers hoeven er dus maar twee of drie anders te stemmen dan je dacht, en dan zit je er niet een beetje naast maar helemaal. De peilers dekken zich daarom in door met ruime marges te werken, of door de kansen van beide kandidaten in percentages uit te drukken. Toen die van Hillary op hun hoogst werden beoordeeld werden ze door verschillende bronnen geschat op 70 tot 99%. Ook die laatste schatting liet dus 1% open voor Donald Trump, en achteraf kunnen we alleen maar vaststellen dat het inderdaad die ene procent is geworden. De opiniepeiler had het dus bij het rechte eind, en ieder die aan zijn uitkomst zekerheid wilde ontlenen bij het verkeerde.

Het contrast tussen de feitelijke verkiezing van Trump en de teneur van de peilingen ten faveure van Hillary, is niet zozeer een brevet van onvermogen voor de opiniepeilers. De kritiek zou eigenlijk de media en hun redacties moeten treffen die zich bij dat contrast niet kunnen neerleggen. Of die hun teleurstelling niet kunnen overwinnen over het feit dat hun campagnes het gewenste resultaat hebben gemist.

Is Nederland nu wel of niet de tweede agro-exporteur ter wereld?

Nauwelijks was ik deze week bekomen van een Wagenings debat over Food and Trust, of ik kwam op Twitter terecht in een discussie die geknipt was als voorbeeld. Het ging over export en import van agrarische producten, en over vertrouwen in gevestigde instituten.

Iemand had een persbericht van het CBS van afgelopen zomer uit de kast gehaald: ons land zou de tweede exporteur in de wereld zijn van agrarische producten, achter de Verenigde Staten. ‘CBS, corrigeer die cijfers nou eens voor de Rotterdamse doorvoer!’, twitterde hij. Blijkbaar wist hij niet dat doorvoer – goederen die door een land worden getransporteerd naar een ander land zonder dat ze worden in- of uitgeklaard – niet in de import- en exportcijfers van het bureau zit.

Nu verschijnen berichten over een top-drie plaats van Nederland als agrarische exporteur de laatste dertig jaar regelmatig, en daar volgt steevast de vraag op om cijfers die zijn geschoond van doorvoer. Dat laatste is op zichzelf begrijpelijk want als je de kracht van de Nederlandse agro-industrie wil beoordelen, heb je niet veel aan export die je eerst hebt geïmporteerd. Het antwoord was meestal hetzelfde: doorvoer telt niet mee.

Eigenlijk was dit dus allemaal al eerder vertoond. Maar twee dingen waren nieuw. Deze keer verzamelden zich op Twitter al snel mensen die er zonder aarzeling vanuit gaan dat het CBS ons met geflatteerde cijfers een rad voor ogen wil draaien. Net als LTO en de overheid stelt het bureau de landbouw veel belangrijker voor dan ze is, denken ze. Op Twitter gaat het dan al snel over ‘liegen’, ‘ambtenaren met gezwollen ego’s’ en de ‘Nederlandse ballon’ die ‘leegloopt’. Het tweede nieuwe, voor mij althans, is dat de wantrouwers nu een bondgenoot treffen in een ander overheidsbureau met een prima reputatie, het Planbureau voor de Leefomgeving. Dat schrijft het volgende op zijn website: ‘Nederland is de op 1 na grootste landbouwexporteur ter wereld als we kijken naar de hoeveelheid geld die daarin omgaat. Dit komt vooral doordat we veel importeren, verwerken en doorvoeren.’ En daarop volgt dan: ‘Wat onze eigen landbouwproductie betreft staan we wereldwijd op de 22ste plaats.’

‘Kijk maar, het is niet de tweede maar de 22ste plaats!’ twitteren de wantrouwers tevreden. Helaas ten onrechte want het PBL heeft ze, bewust of onbewust, verkeerd voorgelicht. De tweede plaats op de wereldranglijst komt namelijk niet ‘vooral doordat we veel importeren, verwerken en doorvoeren.’ Ook als je met (in elk geval twee van) die factoren rekening houdt blijft de Nederlandse positie hetzelfde. Ik laat dat hieronder zien. En die 22ste plek blijkt bij navraag uit een heel andere ranglijst te komen: die van de productiewaarde. Nederland is dus als agrarisch producent 22ste, maar als exporteur 2e.

Maar hoe krijgen we nu echt een betrouwbaar beeld van de waarde van de agrarische export voor onze economie? ‘Doorvoer’ telde al niet mee in de CBS-definitie. ‘Wederexport’ is een ander verhaal. Dan gaat het om goederen die wel worden ingeklaard en vervolgens zonder wezenlijke aanpassing, bijvoorbeeld in een andere verpakking, weer uitgevoerd. Die dragen relatief weinig bij aan de (agro-)economie dus ook die zou je liever niet in de statistieken terugzien. En dan heb je nog import die wèl wordt verwerkt: soja bijvoorbeeld die in Rotterdam binnenkomt, door onze koeien wordt opgegeten en vervolgens als kaas weer de grens over gaat. Ook die werkt vertekenend.

Het mooiste zou het dus zijn als we beschikten over een soort uitgeklede exportcijfers, waar deze vertekenende factoren uit zijn geschoond. En dat doen we. Comtrade, de VN-organisatie voor handelsstatistieken, levert namelijk cijfers van agrarische export, import en het verschil tussen die twee, de balans. Ik kreeg er de beschikking over door bemiddeling van Wageningen Economic Research. Als je de hele agrarische import in mindering brengt op de export weet je zeker dat het alleen nog gaat over export die echt is gebaseerd op Nederlandse economische activiteit[1]. Bijgaande grafiek geeft een mooi beeld van die cijfers.

De plek van veel landen verschuift flink als je naar de balans kijkt, export minus import. Maar te midden van al die verschuivingen blijft ons land gewoon staan op de plek waar we in de andere hitlijsten ook al stonden: de tweede.

Daar kan geen twitter flock, maar ook geen planbureau iets aan veranderen.

Handelsbalans van de twintig grootste exportlanden in 2014; bron: Comtrade, bewerking Wageningen Economic Research
Handelsbalans van de twintig grootste agrarische exportlanden in 2014; bron: Comtrade, bewerking Wageningen Economic Research

[1] In feite verteken je de verkeerde kant op, want je trekt ook de import af die niet bijdraagt aan export